Geestelijke strijd en herstel voor psychiatrisch verpleegkundige Frank

Het levensverhaal van Frank Hissink

Copyright: Frank R. Hissink en Jan A. Baaijens, pastorale hulpverlening.

Frank vertelt ons in dit uitgebreide artikel over zijn veelbewogen leven als hulpverlener en patiënt in de psychiatrie.

We volgen hem vanaf zijn woelige jeugdjaren in het buitenland tot op zijn afgaande weg door trauma’s, die hij ook opliep tijdens zijn werk op psychiatrische afdelingen. Hij worstelde jarenlang met een burn-out, angst en depressie. Daarbij was hij in toenemende mate verslaafd aan alcohol.

Frank kent de psychiatrie van binnenuit als psychiatrisch verpleegkundige, therapeut en patiënt.

Hij heeft ons veel te vertellen en laat ons daarbij de meerwaarde van het christelijk geloof zien bij de geestelijke hulpverlening.

Hij kwam er al vroeg achter dat het werk was in de psychiatrie zo veeleisend is, dat het voor hem ondoenlijk was dit op te blijven brengen op de langere termijn. Om hem heen zag hij weinig mensen die in de praktijk van de psychiatrie hun pensioen haalden: De meesten stopten vervroegd via de WAO, of zochten ander werk, of kregen een lichamelijke ziekte of aandoening.

Frank weet wat het is om opgebrand te raken binnen de psychiatrische hulpverlening. Hij verklaart: ‘De mensen die binnen de psychiatrie werken kampen vaak met het probleem dat mij overkomen is: Burn-out Syndroom.’

Hij tekent erbij aan: ‘De meeste werkers zetten zich met hart en ziel in om de psychische noden op te vangen en tot zekere hoogte te verhelpen, maar wie helpt de hulpverlener als het hem allemaal teveel wordt?’ Waarom gaat men vaak niet op de hulpvraag in? Frank vraagt meer aandacht voor de vragen van de hulpvrager. Hij kwam er als hulpvrager achter dat men zijn hulpvragen slecht herkende en er vaak niet eens op inging.

Wie helpt de hulpverlener als het hem allemaal teveel wordt?

De belangrijke vraag is daarom ook: ‘Hoe zou je de hulpverlening kunnen verbeteren?’

Hij vond herstel in de christelijke hulpverlening

We zien hoe hij herstel heeft gevonden door de leiding van God, het geloof in Jezus en het werk van de Heilige Geest. Daarbij hebben liefdevolle, gelovige hulpverleners Frank op het juiste spoor geholpen. Verderop in dit uitgebreide artikel komt dat volop aan de orde in zijn levensverhaal.

Frank vertelt ons hoe hij tot geestelijk herstel is gekomen.

We ontdekken in dit artikel welke meerwaarde de christelijke hulpverlening heeft bij de psychiatrie.

De psychische klachten en de restgevolgen van emotionele beschadigingen zijn aanzienlijk minder geworden sinds Frank tot geloof is gekomen. Hij geeft aan dat dit komt door het werk van de Heilige Geest. Hij verwoord daarbij zijn hoop: ‘ Waarbij mijn toekomstperspectief ligt in de volledige genezing: niets is tenslotte onmogelijk door de liefde en kracht van God!’

Hoe heeft hij na al die traumatische ervaringen uiteindelijk het geluk gevonden?

Zijn levensgeschiedenis 

We gaan eerst kijken wat hij zoal heeft meegemaakt in zijn leven. Als auteur en samensteller van deze website heb ik gegevens verzameld uit de twee boeken die hij heeft geschreven en heb ik Frank geïnterviewd, waarbij hij aanvullingen heeft doorgegeven. We beginnen bij een ernstig trauma met verstrekkende gevolgen, die hij heeft opgelopen tijdens zijn werk als psychiatrisch verpleegkundige.

Een levensbedreigende gebeurtenis

Frank geeft ons als traumatische ervaring door: ‘Tijdens een nachtdienst met een vrouwelijke collega heb ik volgende levensbedreigende voorval meegemaakt. Dit voorval heeft een grote indruk op mij gemaakt en er (mede) voor gezorgd dat ik mijn werk in de psychiatrie niet meer aankon en ander werk ben gaan zoeken.’

Hij voelde zich tijdens dit gebeuren met de dood bedreigd, toen een patiënt met een ijzeren staaf op de onbreekbare ruit begon te slaan. Hij dacht: ‘Mocht hij de deur inslaan, wat zou er dan van mij overblijven? Hij was immers door het dolle heen!’

Frank verhaalt ons verder: ‘Gelukkig kwam toen de politie met versterking aanzetten, hij werd in de handboeien geslagen en naar de isoleer gebracht met een klein legertje personeel uit het ziekenhuis, vier politieagenten en ikzelf, waarna hem een stevige cocktail spuit toegediend werd. Door de combinatie spuit/alcohol sliep hij weldra in.

Ik was zo geschrokken van deze levensbedreigende situatie, dat ik de volgende ochtend na de nachtdienst niet kon slapen en het geval maar niet uit mijn hoofd kon zetten.’

Hij geeft aan: ‘Ik ben geestelijk door dit voorval nooit meer de oude geworden en ging in eerste instantie een paar weken de ziektewet in om daarna mijn werk weer te hervatten, met steeds de angst dat zoiets nog wel eens kon gebeuren, ging ik steeds met lood in mijn schoenen naar het werk.

Later begreep ik dat ik aan het posttraumatisch stress syndroom (PTSS) leed: slaapstoornissen, depressies, allerlei onbestemde angsten, en de onmogelijkheid om je werk naar behoren te kunnen doen.’

Hij is met een te zware draaglast door zijn werkzame leven gegaan.

Opgebrand en onbegrepen in de psychiatrie

De psychische nood bij Frank werd echter niet herkend op zijn werk. Mede door de opgelopen trauma’s is hij van een psychiatrisch verpleegkundige een psychiatrisch patiënt geworden. Het is moeilijk om als therapeut voor eigen herstel in therapie te moeten gaan. Hij merkt erbij op:

‘Ik wist nu eindelijk wat het was om patiënt te zijn!’

Frank heeft pas op oudere leeftijd een plek gevonden om zijn lasten neer te leggen.

Zoeken naar oorzaken en oplossingen

We kijken in dit artikel naar de oorzaken van de ernstige problemen in het leven van Frank. Zoals je verderop kunt lezen, heeft hij traumatische ervaringen opgedaan vanaf zijn kinderjaren. Hij ontving niet de liefde en veiligheid die in een kind nodig heeft om geestelijk goed op te groeien. Daarbij kon hij zich moeilijk hechten en binden door zijn jaren in het buitenland, de vele verhuizingen en de wisselende omstandigheden tot ver in zijn jeugd.

In zijn verdere leven zie je de repeterende breuken terugkeren en de barsten zich uitbreiden. Ondanks het feit dat hij gekweld werd door een tweemaal opgelopen posttraumatisch stress syndroom, moest hij steeds weer voldoen aan te zware eisen die hem werden opgelegd. Hij heeft het met een taai doorzettingsvermogen nog lang kunnen volhouden!

Zijn klachten werden in de psychiatrie niet serieus genomen. Hij ondervond als therapeut en psychiatrisch patiënt afwijzing en onbegrip. Hij ervoer onrecht bij de gestrande huwelijken en de twee kinderen die bij hem zijn weggehouden.

Hij werd in de geestelijke hulpverlening van het kastje naar de muur gestuurd, totdat hij uitgeteld en afgebrand met zijn rug tegen de muur stond.

Op 56-jarige leeftijd kwam hij in de WAO terecht,

afgebrand en afgekeurd.

In de psychiatrie heeft het geluk verloren en niet meer teruggevonden.

Voor hem waren er bij de psychiatrische en maatschappelijke hulpverlening geen oplossingen te vinden. De helpende hand van de psychiatrie was voor de psychiatrisch verpleegkundige ontoereikend. Maatschappelijke armen konden hem niet dragen en met liefde omarmen.

Hij is geestelijk en maatschappelijk vastgelopen.

Oplossingen bij de Verlosser

Uiteindelijk heeft hij geluk en herstel gevonden in het christelijk geloof, door de toevlucht te nemen tot de Heiland Jezus Christus. Hij is de Bevrijder en Heler. Hij redt ons uit de grootste nood.

Door de hulp van Boven en van buitenaf is Frank bevrijd uit zijn gevangenschap van depressie en verslaving.

In dit artikel wordt het praktische bewijs geleverd

dat de liefde van God en liefdevolle gelovigen

meer kunnen betekenen voor een psychiatrisch patiënt

dan psychiatrische behandelingen.

Psychiatrie en GGZ zijn goed tot op zekere hoogte. Alles wat helpt om het leed van de geestelijk belaste en beknelde patiënt te verlichten, is goed. Wanneer medicijnen nodig zijn, dan is het goed om ze toe te dienen. Dat is ook bij Frank gebleken. Ook de cognitieve gespreks- en gedragstherapieën kunnen tot op zekere hoogte goed zijn.

Alles wat (vooruit) helpt, is goed.

Er is echter ook de hulp van God, die verder kan reiken dan de grenzen van de psychiatrie.  Er zijn geestelijk ook de liefdevolle armen van Jezus, die meer liefde en veiligheid kunnen bieden dan hulpverleners met menselijke beperkingen. Veel geestelijke, psychische en lichamelijke problemen hebben te maken met derving, gemis en gebrek. Het gaat dan om iets wat ons ontbreekt dat we niet kunnen missen voor ons welzijn.

God kan toevoegen aan ons leven,

wat mensen ons niet willen of kunnen geven.

Wij proberen het oude, gebarsten leven wat op te knappen, maar God kan ons nieuw geestelijk leven geven. Hij geeft de gelovige wat hem ontbreekt. Hij geeft ons  door Jezus een nieuw geluk en een nieuw perspectief op een hoopvolle toekomst.

Blijf niet staren naar de gesloten deuren als er een hoopvolle toekomst voor je is ontsloten.

Boven onze deprimerende gedachten, emotionele beschadigingen en negatief zelfbeeld uit zijn er de hoopvolle gedachten van God over Zijn kinderen.

We lezen erover in Jeremia 29:11: ‘Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven.’

Als je dat in een ellendige toestand doorkrijgt, ga je Hem gaan zoeken en zul je Hem vinden. Hij zal dan ook een omkeer brengen in je gevangenschap (Zie Jer. 29:11-14b).

Psychiatrie heeft religie als liefdevolle relatie nodig

Frank is van mening dat psychiatrie ‘religie’ nodig heeft. Hij verklaart: ‘Al met al is het zo dat de psychiatrie probeert zo goed mogelijk mensen met psychische problemen te helpen met het minimum aan middelen (geld) en dat is zeer nobel. Maar als de basis ontbreekt in de vorm van een religieus besef, dan zal zeker elke hulp falen.’

We hebben Jezus Christus nodig!

In aanvulling op de mening van Frank kunnen we stellen: Bij het christelijk geloof spelen geloof, hoop en liefde een belangrijke rol. Jezus Christus heeft ons een volmaakt voorbeeld gegeven in het helend omgaan met de naasten. God wil door Jezus een liefdevolle relatie met ons aangaan, om ons te verlossen van zonde, ellende en geestelijke problemen.

De christelijke religie heeft alles te maken met een liefdevolle relatie. Een positieve gelovige wil ook een liefdevolle relatie aangaan met de ander.

Frank weet dat er in de christelijke, pastorale hulpverlening een meerwaarde zit, die nodig is om het gebrek en tekort in de psychiatrische hulpverlening op te lossen en aan te vullen. Hij raakte ervan overtuigd dat het zonder de hulp van God het niet zou redden! Hij besefte het: ‘Ik kan het zelf niet meer, maar U kunt het wel!’

Zonder het geloof in Jezus en het werk van de Heilige Geest

kon Frank niet herstellen door de psychiatrische hulpverlening.

Aan het gebrek, de derving en het gemis van de psychisch lijdende patiënt behoort iets te worden toegevoegd. Dat is te vinden in het Evangelie van Jezus Christus. Hij nodigt ons uit in Mattheüs 11:28:

Kom naar Mij toe, alleen die vermoeid en belast bent,

en Ik zal u rust geven.’

Dat hebben we nodig als we geestelijk vermoeid en belast zijn.

Dat hebben ook zij nodig die psychisch in nood zijn.

Je wordt uitgenodigd om tot Jezus te komen en Hem te volgen in het licht.

 Overmatig alcoholgebruik

Door de emotionele beschadigingen is hij ook alcoholist geworden. Hij heeft daarbij verkeerde keuzes gemaakt. Frank geeft toe: ‘Je gaat dan drinken ter zelfmedicatie om deze verschijnselen tegen te gaan. Helaas is in dit geval het middel vaak erger dan de kwaal, want alcohol is een harddrug en een echte killer.’ Hij vertelt later:

‘Na een heel leven van soms extreem alcoholgebruik,

nam het gebruik alleen maar toe,

en voordat je het weet ben je gewoon verslaafd!’

Hij heeft wel eens geprobeerd om een jaar helemaal te stoppen, maar het ging toch langzaam maar zeker weer de verkeerde kant op. Hij was ‘behoorlijk verslaafd aan dit gevaarlijke en verwoestende goedje’.

Het ging slecht met hem in de jaren dat hij verslaafd was.

Hij heeft het overmatige gebruik lang volgehouden, totdat hij een klein auto-ongeluk kreeg en tot bezinning kwam. Frank verklaart in mei 2019: ‘Mijn geloof is weer actief geworden toen ik voor de keuze kwam te staan: door te gaan met drinken, komen te overlijden of me over te geven aan Jezus en de Heilige Geest.’ Hij kijkt terug:

‘Ik heb vanaf mijn achttiende altijd gedronken

en ben er sinds een paar jaar helemaal mee gestopt,

ook het roken is verleden tijd sinds een jaar.’

Nadat hij tot geloof is gekomen, ontving hij de kracht om te overwinnen door Jezus Christus. Zijn leven heeft weer betekenis en een hoger doel gekregen. Hij zegt erover: ‘Nu was er een zingeving in mijn leven gekomen, die mij van de alcohol afgeholpen heeft.’ Ik zeg nu: ‘Ik ben een alcoholist, die niet meer drinkt!’

Een bevriende hulpverlener heeft hem daarna verder vooruit geholpen in een daadwerkelijk geloof. Hij is tot op zekere hoogte bevrijd van zijn depressies, angsten en verslavingen.  Frank geeft aan, dat hem dit met de hulp van de Heilige Geest is gelukt!

Hij geeft ons in 2019 door als ervaringsdeskundige:

‘De Heilige Geest is immers de beste therapeut ooit,

en weet precies wat je nodig hebt.’

Hij geeft ons daarbij mee: ‘Zoals je wel op zal vallen, heb ik een heel bewogen leven achter de rug, maar ben ik uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat er maar één ware weg in het leven is: die van Jezus en de Heilige Geest.’

Over de weg naar geestelijk, psychisch en lichamelijk herstel geeft hij aan: ‘Het herstel is gekomen toen ik op mijn 66e met pensioen ging, toen ik geconfronteerd werd met het feit dat ik zou komen te overlijden als ik door zou drinken.’ Hij geeft ons als getuigenis door:

Ik ben nu nog steeds een herstellende alcoholist,

die absoluut niets meer drinkt,

met hulp van de Heilige Geest en het gaat nu goed met mij.

 Ik heb zelfs het geluk teruggevonden!’

***

Woelige jeugdjaren en een moeilijke opvoeding

Frank heeft een onrustige kinder- en jeugdtijd meegemaakt, waarin het gezin vaak in beweging was door verhuizingen in binnen- en buitenland.  Daardoor kon hij zich moeilijk hechten of binden aan een omgeving of personen. Dat komt ook in zijn verdere leven terug.

Hij kan vanuit zijn herinnering niet spreken van merkbare liefdesuitingen van zijn ouders naar hem toe. Hij had als kind thuis een onveilig gevoel. Er was bij hem geen synchronisatie tussen gevoel en denken (die in een gezonde harmonie samen behoren op te gaan).

De eerste emotionele barsten zijn al ontstaan in zijn kinderjaren.

Hij had als kind thuis een onveilig gevoel.

Vanaf zijn kinderjaren werd bij de opvoeding nadruk gelegd  op negatieve kanten en fouten. Zijn moeder had als onderwijzeres, volgens hem, te weinig invoelingsvermogen. Ze bleef erop hameren: ‘Je moet je best doen!’ en dat terwijl Frank toch wel zijn best deed. Je kunt dan het gevoel krijgen ‘dat het nooit goed genoeg is’.

Zijn moeder is gelovig opgevoed, waarbij de straf van God werd benadrukt. Ze was daardoor ook angstig, wat ze overgebracht heeft op Frank. Hij is voor een groot gedeelte opgevoed door zijn moeder. Ze heeft hem wel leren bidden en las hem voor uit de Bijbelse vertellingen van de bekende kinderboekenschrijver Van der Hulst. Zijn moeder heeft later de ziekte van Alzheimer gekregen.

Als Frank in zijn latere leven vanuit zijn ellende tot bewust geloof komt, heeft hij het ook over ‘de kaars die al door mijn moeder in mijn jeugd ontstoken was, door mij op God en Christus te wijzen’.

Zijn moeder leerde hem ‘om je best te doen’ en wees hem al vroeg op God en het geloof in Jezus Christus.

Hij geeft aan dat hij toen ‘weer helemaal tot geloof kwam en een overtuigd christen werd’, terwijl hij verklaart: ‘Ik was tot die tijd een zogenaamd naamchristen geweest, maar dit hield in dat ik toch deed waar ik zin in had.’

Traumatische ervaringen

Frank herinnert zich uit zijn jonge jaren ook ‘de bijna dagelijkse ruzies van mijn ouders, die hun weerslag hadden op ons als kinderen (vooral ik, als gevoelig kind)’. Zijn ouders bleken niet bij elkaar te passen. Zijn vader was overtuigd atheïst, terwijl zijn moeder gereformeerd was opgevoed en het christelijk geloof aanhing.

Frank geeft aan, dat hij en zijn twee broers in het verleden geregeld werden ‘mishandeld’, zowel psychisch als lichamelijk, en dan voornamelijk door zijn moeder.

Er waren psychische en lichamelijke ‘mishandelingen’

Hij verklaart over de gevolgen: ‘Ik heb mijn jeugd ook als een traumatische tijd ervaren en er altijd last van blijven houden: slecht slapen, nachtmerries, concentratiestoornissen en onbestemde en bestemde angsten.’

Later is er ook als gevolg van de onveilige thuissituatie en ‘klappen uitdelende moeder’ een PTSS syndroom bij Frank geconstateerd.

***

Waarom koos hij voor het werken in de psychiatrie?

Dat Frank heeft besloten om in de psychiatrie te gaan werken, had ook te maken met levenservaringen vanuit zijn jeugdjaren. Hij geeft aan, dat hij zich ervan bewust was in zijn jeugd vastigheid en duurzame vriendschappen te hebben gemist. Frank vertelt ons: ‘Deze tekortkomingen in de opvoeding beïnvloedden mij, onbewust, bij het zoeken naar een baan. De psychiatrie zou mij vastigheid verschaffen: een vaste baan met toekomst, duurzame relaties, gelijk gezinde collegae en wat misschien nog belangrijker voor mij was: ik had het gevoel zinnig bezig te kunnen zijn door het hulpverlenende karakter van het werk in de psychiatrie.’

Frank heeft wel 15 jaar in de psychiatrie gewerkt.

Frank R. Hissink vertelt ons over zichzelf in zijn boek ‘Wat je zegt ben jezelf’: ‘Ik ben in mijn loopbaan binnen de psychiatrie, dat in z’n geheel ongeveer 20 jaar in beslag genomen heeft, veel psychisch menselijk leed tegengekomen, waarmee in de praktijk weinig aan te doen was, omdat men er gewoon geen raad mee wist. Immers de oorzaak was vaak niet eens bekend.’

‘Ik heb me altijd erg aangetrokken gevoeld

tot de mensen die psychisch leed moesten ondergaan.’

‘Dit boek is nu een mogelijkheid voor mij om een extra steentje bij te dragen tot het in ieder geval bekend maken van de cultuur, het leed bij de patiënten en de werkwijze binnen de instellingen.’

Een inkijk in de psychiatrische hulpverlening

Zijn boek ‘WAT JE ZEGT BEN JE ZELF!’ heeft als ondertitel: ‘De wereld van de hulpverlening binnen de psychiatrie’,  met de volgende copyright in 2001: Frank R. Hissink in samenwerking met Bergboek.nl.

Frank geeft aan in de inleiding dat je kinderen hoort zeggen: ‘Wat je zegt ben je zelf!’ Dat kunnen ze doen als ze op een beledigende manier door een ander kind toegesproken zijn en zich willen verdedigen. Hij stelt verder: ‘Ze hebben dan nog gelijk ook! Het zegt meer over jezelf dan over de ander! Ditzelfde speelt mee bij onze beoordeling van psychiatrische patiënten, we stoppen een stuk van onszelf in onze opvattingen naar hun toe.’

Een inzicht in de psychiatrie vanuit de ervaringen van Frank

Het is de bedoeling van dit boek om een beeld te geven van wat er zoal gebeurd binnen een psychiatrisch ziekenhuis of aanverwante instelling, vanuit de ervaringen van Frank als (leerling) psychiatrisch verpleegkundige. Daarbij laat hij als het ware de lezer meebeleven wat hij beleefd heeft ‘in deze wondere wereld, die vaak zo ver buiten de maatschappij en de belevingswereld van veel mensen staat’.

Frank wil in dit boek het vele onbegrip verminderen, dat hij tijdens en na zijn loopbaan tegen is gekomen binnen de psychiatrie. Hij betrekt daarbij de mensen waarmee je daar te maken krijgt. Hij wil de lezer ‘mee laten beleven’ wat hij beleefd heeft in de psychiatrie (vanaf zijn opleidingstijd). Hij wil daarbij een beeld kan geven van de patiënten en cliënten, die hij toen ontmoet en begeleid heeft. Hij geeft in zijn boek zijn ervaringen in de psychiatrie door, waarbij hij fictieve namen, titels en instellingen gebruikt (vanwege de geheimhoudingsplicht).

Hij geeft in zijn boeken zijn ervaringen door als (leerling) psychiatrisch verpleegkundige.

Frank heeft een vervolg geschreven op zijn eerste boek. Zijn tweede boek geeft op beschrijvende en autobiografische wijze een beeld van zijn verdere loopbaan, met daarbij een korte opname van hem in de psychiatrische hulpverlening.

Hij gaat daarin verder met zijn levensverhaal toen hij gediplomeerd psychiatrisch verpleegkundige was geworden.

In zijn boeken en aanvullende tekst gaat het uiteindelijk om zijn eigen verhaal, aangevuld met verhalen over anderen waarmee hij te maken heeft gehad. Wat dat betreft is het dus een subjectieve kijk op het hele gebeuren binnen de geestelijke gezondheidszorg.

***

Zijn levensloop vanaf de kinderjaren

Frank Robert Hissink werd op 12 mei 1951 geboren op het eiland Singkep, toentertijd nog Nederlands-Indië, in het kleine ziekenhuis van de hoofdstad Dabo. Het eiland was naar zijn schatting iets groter dan het eiland Texel. Het Indonesische eiland ligt ten zuiden van Singapore en ten oosten van Sumatra. Dit ziekenhuis werd geleid door Dr. Kampschuur, een goede vriend van zijn vader. Zijn geboorte was volgens zijn moeder geen gemakkelijke taak: hij lag verkeerd om en moest dus met een soort klem ter wereld worden gebracht.

Zij vader woonde er al vanaf 1946 en was daar als chef werkzaam in een bedrijf met tin baggermolens. Hij heeft met zijn ouders en twee jongere broertjes op dit eiland gewoond tot 1958, tot de onafhankelijkheid van Indonesië. Zijn vader is nog een jaar nagebleven om mensen in te werken.

Enge ervaringen in zijn kinderjaren

Frank verhaalt ons de volgende indrukwekkende ervaringen uit zijn kinderjaren: ‘Pa nam me wel eens mee naar zijn werk, vooral bij de Rassep baggermolen: ik keek met bewondering naar de grote schep emmers die de grond met tin naar boven brachten, waar later tin uit gehaald werd. Een dergelijke baggermolen was een hele fabriek op zich.’

Frank gaat verder: ‘Ook staat mij nog steeds op het netvlies de keer dat er iemand overboord was geslagen en door een krokodil gegrepen werd, het krioelde er immers van deze gevaarlijke dieren, vooral waar gebaggerd werd op de rivieren, in het binnenland van het eiland. Mijn vader haalde me toen snel weg omdat het zicht voor een jochie als ik, toen zo’n 4 of 5 jaar oud, te ingrijpend was, maar de herinnering ervan ben ik nooit meer kwijtgeraakt.

Ook was het eiland niet zonder gevaar door de vele slangen en schorpioenen die er huisden. Eens kwam mijn vader terug van een van de vele jacht uitjes met Dr. Kampschuur (waar hij toen al bevriend mee was geraakt) met een opgezwollen hand, koortsig en ziek, omdat hij door een schorpioen gestoken was.

Ook kan ik me goed herinneren dat er eens een slang onder m’n bed lag: dit gevaar was door het open raam binnengekomen.’

Er lag een slang onder mijn bed.

Hij vervolgt zijn verhaal: ‘Ik sliep immers altijd met een open raam vanwege de hitte, ook ’s nachts. Het koelde er nauwelijks af in de nacht, het was immers een tropisch, vochtig klimaat. De temperatuur kwam nauwelijks onder de 25 graden in de nacht! Mijn moeder ontdekte de slang en gaf een gil, waarna de slang door m’n vader koelbloedig verwijderd werd. Zulke gebeurtenissen vergeet je nooit meer.

Ook weet ik nog goed dat we eens op het terras zaten en er een grote schorpioen het terras betrad en dat de “baboe”, zoals de bedienden daar genoemd werden, met een hamer het beest verpletterde. Ik was me niet bewust van het gevaar ervan, vond het alleen wonderlijk om te zien: het gemak waarmee ze dit deed, zonder enige vrees voor het gevaarlijke, zwarte kruipende dier.’

Dreigende ziektes en gevaren

Frank vertelt ons over de gevaren voor de gezondheid en ziektes: ‘Op een tropisch eiland wonen in weelde lijkt heel leuk, maar de tropen hebben ook hun negatieve kanten: veel ziektes en aandoeningen kon je daar makkelijk oplopen. Het krioelde ook van de muggen, vliegen e.d., die allerlei ziektes overbrachten. Het enige middel in huis om deze te bestrijden was de beruchte flitsspuit, gevuld met een mengsel waarin DDT in voorkwam. Veel werd er gebruik gemaakt van deze flitsspuit in huis, om het ongedierte te bestrijden. Wat dit voor ongezonde lucht dit veroorzaakte, werd niet op gelet. Het ongedierte moest immers koste wat koste weg!

Mijn broer René had op 3 jarige leeftijd difterie opgelopen en moest onverwijld opgenomen worden in het ziekenhuis: met ernstige uitdrogingsverschijnselen. Ik heb Dr. Kampschuur horen zeggen dat het levensbedreigend was. Mijn vader had ik nog nooit zien huilen, maar de aanblik van m’n broertje bracht hem hier wel toe!

Zelf had ik eens een grote steenpuist op m’n voorhoofd.  De pijn was ondraaglijk, waarbij m’n vader met een scheermesje de puist opensneed. Wat een opluchting! Mijn moeder had ook vaak last van steenpuisten en had amoebedysenterie opgelopen, een typische tropische aandoening, die pas overging toen we weer in Nederland woonden.

Mijn vader had malaria opgelopen, waar hij in Nederland nog wel eens last van had in de vorm van hevig zweten en koorts.

Ik had vaak last van worminfecties, waarvoor ik capsules moest slikken, waarbij ik me afvraag of het middel niet ernstiger was dan de kwaal! Ik kan me nog goed voor de geest halen dat ik zo’n last had van worminfecties, vooral maden, toen we terug waren in Nederland op verlof, dat ik helemaal radeloos was!

Bij een darmonderzoek ongeveer 10 jaar geleden gehouden, bleek ik nog steeds amoeben in de dikke darm te hebben (volgens mij nog steeds een overblijfsel van mijn tropenjaren op Singkep).’

Op het tropische eiland lagen de gevaren op de loer, ook voor de kleine Frank.

Frank geeft ons verder door over zijn kinderjaren daar: ‘Singkep was een echt tropisch eiland, het lag immers precies op de evenaar, met nog veel begroeiing en het was zeker niet veilig om zomaar rond te lopen, wat ik wel eens deed. Dit was niet zonder gevaar. Ik verwonder me er nog wel eens over hoe makkelijk mijn moeder dit toeliet. Ondanks de hoge temperaturen overdag (altijd boven de 30 graden) ging ik wel eens op onderzoek uit, vooral in het nabijgelegen bos bij het derde huis waar we woonden.’

Hij schrijft over de gevaarlijke situatie in die tijd: ‘Ik kan me herinneren dat mijn vader een keer vertelde, dat bij ons in de buurt van het huis te Dabo Nederlanders door autochtonen omgebracht waren met kapmessen (parangs genaamd). De Hollanders waren namelijk niet erg geliefd, vooral niet na de beruchte politionele acties, vlak na de tweede wereldoorlog. De Nederlanders werden geduld, maar daar is ook alles mee gezegd. Ze werden dan ook vaak dwars gezeten door de regering op het eiland.

Ik weet nog goed dat we op de fiets vaak aangehouden werden, want er moest een sticker op zitten, om aan te geven dat je een Nederlander was, als dit niet zo was dan werd je opgepakt. De politie was daar niet mals, zeker niet voor Hollanders.’

Als klein kind maakte hij aangrijpende en angstige dingen mee. 

Deze ervaringen kunnen een bepaalde impact hebben gehad in het latere leven van Frank.

Bij hem ging het nogal eens over ‘hechten en onthechten’, ook als het om dieren en contacten gaat.  Frank herinnert zich: ‘De vele Chinezen op het eiland hadden hun eigen kampongs, waar ze verbleven, en er was er één in de buurt van het eerste huis bij Dabo. Het was verbazend hoe geordend en schoon deze kampementen meestal waren. Het waren vaak niet meer dan tenten of golfplaatwoningen. Ik ging er wel eens kijken, nieuwsgierig als ik was, en werd er altijd wel hartelijk ontvangen De Chinezen waren heel gastvrij. Deze Chinezen aten ook alles: slangen, krokodillenvlees, en vooral op hondenvlees waren ze dol.

Wij hadden toen een grote hond die volgens mij Blackie heette, die ineens verdwenen was. Mijn moeder zei toen, dat hij waarschijnlijk door de Chinezen opgegeten was! Dit kwam als een schok op mij over.

Ook hadden we daarna een jonge hond genomen, die onder de band van iemands auto terecht kwam en doodgereden werd op ons erf vlak bij het huis. Er werd niet veel aandacht aan besteed, want het was maar een hond. Ze liepen ook overal los rond, en dat kon gebeuren, was de algemene opvatting. Er werd heel anders tegen de dood aangekeken op Singkep. Ik vond het wel erg, want het was immers onze hond en dus een vriend geworden.’

Frank weet ook nog: ‘Er was op het eiland ook een zogenaamde soos voor de Nederlanders, met een zwembad en een tennisbaan. Tennissen deden mijn ouders vaak en ik maakte nog wel eens gebruik van het zwembad. Eens had ik de afstand naar de kant onderschat en was ik bijna verdronken in het bad.

Ook liep ik een keer zomaar de tennisbaan op en kreeg flink hard een tennisbal op m’n oogkas, hierna liet ik dit wel uit m’n hoofd om zomaar de baan op te lopen.’

Uit de genoemde ervaringen van de kleine Frank kunnen we opmaken dat hij de nodige zwarigheden heeft meegenomen in het rugzakje van zijn kinderjaren. We hebben een historisch record waarbij emotionele beschadigingen een rol kunnen spelen bij nieuwe contacten en in nieuwe situaties. Dat blijkt ook wel uit het latere leven van Frank.

Het rugzakje uit zijn kinderjaren bleef hem parten spelen

***

Verhuizingen, onthechtingen en aanpassingsproblemen

Frank geeft aan: ‘Mijn jeugd kenmerkte zich door in het buitenland te wonen en steeds maar weer het boeltje oppakken en verhuizen. Geboren in Indonesië uit een Hollandse vader en moeder, waarbij mijn vader werkzaam was in het baggerbedrijf, werd het in het buitenland wonen en verhuizen voor mij een steeds terugkerende zaak. Om deze reden was ik niet in staat om me ooit te hechten aan mijn omgeving, of om vrienden te maken.’

Frank gaat verder: ‘Bleef ik ergens wat langer en dit toch gebeurde, dan schermde ik me er voor af om de teleurstelling van het weer vertrekken en afscheid nemen te vergemakkelijken.’

Hij verhaalt: ‘Na tot mijn zevende jaar in Indonesië te hebben gewoond verhuisde het gezin terug naar Nederland voor een kleine twee jaar, met de nodige verhuizingen binnen Nederland. Toen ik in 1958 terugkeerde met de familie, met het schip de Oranje (zonder vader, die immers achtergebleven was op Singkep) viel mij de kou en de drukte hier mij erg zwaar. Ik was het klimaat in Nederland niet meer gewend en het heeft een tijd geduurd voordat ik geacclimatiseerd was. De overgang was immers groot.’

De overgang was groot

Ze gingen in 1958 in Dordrecht wonen, de geboortestad van zijn moeder. Daar heeft Frank later ook  lang gewoond.

Hij geeft ons door: ‘Mijn verdere leven wordt gekenmerkt door verhuizen, verhuizen en nog eens verhuizen, want al vrij snel verhuisden we weer van Dordrecht naar Rotterdam, omdat we daar een bescheiden flatje konden krijgen. Mijn vader zou na een jaar immers weer terugkeren naar Nederland, want hij was daar achtergebleven om zijn werk als chef-molenbaas af te ronden en over te dragen aan een ander.’

Een leerachterstand

Frank geeft ons ook een moeilijkheid door met betrekking tot zijn leerachterstand, als hij ons vertelt: ‘De laatste jaren op Singkep ging ik ook naar een lagere school vlak bij Dabo, niet te vergelijken met de lagere school in Nederland. Vanwege de hitte ging je alleen in de ochtend naar school en het niveau lag ver onder dat van Holland. Het tempo lag laag en je leerde er niet veel, wat later in mijn nadeel werkte toen ik definitief terug was in Nederland.

Ik had een hele achterstand opgebouwd toen ik hier op de lagere school kwam, waar het niveau op een hoog peil lag. Ik kon moeilijk meekomen met de rest van de klas, dat was een tegenvaller voor me. Ik moest alle zeilen bijzetten om maar enigszins mee te kunnen op de lagere school in Dordrecht. Ik kwam er wonen met mijn moeder en twee broertjes.

Van Zuid-Limburg naar Australië

In Nederland was er aanvankelijk geen werk van de vader van Frank. Hij moest gewoon alle werk accepteren, zoals in een fabriek. Daardoor hadden ze ook minder inkomen. Het was over met de weelde en het luxe leven op het eiland Singkep.

Vader Hissink vond het wonen in Rotterdam maar niks, en er werd besloten om te verhuizen naar Zuid-Limburg, waar hij vandaan kwam. Ze gingen wonen in Nuth, vlak bij Heerlen.

In Nederland kon mijn vader niet aarden. Hij was de vrijheid en het klimaat van de tropen teveel gaan waarderen. Hij besloot met het hele gezin naar Australië te emigreren. Frank verhaalt: ‘Weer verhuizen dus. Mijn vader stelde, dat de toekomst in Australië er economisch bezien en wat het klimaat betreft rooskleuriger uitzag dan in het volle en kille Nederland.’

Ondanks de ruzies toch een mooie tijd in Australië

Een ander belastend element uit de jonge jaren van Frank was de slechte relatie van zijn ouders. Bij onenigheid en ruzies tussen ouders raken ook de kinderen emotioneel belast en gekwetst. Frank geeft erover aan: ‘De relatie tussen mijn ouders was toen al niet zo geweldig. Ze hadden vaak ruzie, dus ook over de emigratie naar Australië. Ik merkte er toen nog niet zoveel van, want daar was ik nog te jong voor, maar de ruzies waren toen al niet van de lucht!’

‘De ruzies waren toen al niet van de lucht’

In Australië woonden ze eerst een half jaar in een opvangcentrum voor nieuwe immigranten. De  behuizing leek op een soort kazerne. Dat viel wel tegen. Gelukkig lag het dicht bij een mooi strand, waar het heerlijk vertoeven en zwemmen was in een subtropisch klimaat.

Na een tijdje verbleven te hebben in een opvangcentrum in het binnenland, gingen ze in een rustige plek aan de rand van een grote Australische stad wonen. Frank vertelt erover: ‘Het was een mooi vrijstaand huis, met veel ruimte om te spelen en een ruime natuur er omheen. Hier zijn wij vijf jaar blijven wonen en kon ik voor het eerst wennen aan mijn omgeving en kreeg ik zowaar wat vrienden.

Hij ging in zijn kinderjaren in Australië naar school.

Mijn leven was dat van een gewoon schoolgaand kind, die veel in de natuur verbleef en sportief was. Ik speelde vaak tennis. Het was een heerlijk leven, waar echter de vele ruzies van mijn ouders een domper op legden.’

Frank zat in die tijd op de middelbare school (een Australische highschool).  Hij voelde  zich aardig thuis in dit onmetelijke land met veel ruimte en een heerlijk klimaat.

Hij kon echter niet voorkomen dat ze weer moesten verhuizen, terwijl ze het mooie vrijstaande huis, school en vrienden moesten achterlaten.

Terug naar het vaderland

Hij vertelt ons: ‘Aan het einde van deze onbezorgde jaren kreeg mijn vader een chronische nierontsteking, waarbij we ons genoodzaakt voelden om na een verblijf van zes jaar terug te keren naar Nederland, want de sociale voorzieningen waren toentertijd veel beter in Nederland.

Hij gaat verder: ‘Ik wist niet goed wat ik hiermee aan moest: weer verhuizen en mijn vrienden achter laten? Of kost wat kost in Australië blijven en bij mijn oom verblijven in een nabijgelegen stad, wat mij toen door mijn ouders aangeboden werd. Met een leeftijd van slechts vijftien jaar en niet in staat zo’n beslissing te maken. Ook omdat ik moeilijk zonder mijn familie kon, besloot ik mee terug te gaan naar Nederland.’

In Nederland kochten zijn ouders een betrekkelijk klein huis in een buitenwijk van Dordrecht, in de buurt van het natuurgebied de Biesbosch.

Traumatische ervaringen en de gevolgen

Helaas bleven daar, volgens Frank: ‘de bijna dagelijkse ruzies van mijn ouders, die hun weerslag hadden op ons als kinderen (vooral ik, als gevoelig kind)’. ‘Later bleken mijn broers en zus er zeker ook onder geleden te hebben.’

Hij geeft erbij aan: ‘Mijn ouders pasten totaal niet bij elkaar: mijn vader was een ruwe bolster met blanke pit type, opgegroeid met hard lichamelijk werk en een overtuigd atheïst, terwijl mijn moeder als christen gereformeerd opgebracht was. De ruzies zijn dan logisch, maar er in opgroeien is natuurlijk allesbehalve makkelijk.’

Als Frank terugkijkt op zijn levensloop is duidelijk geworden dat hij zeker niet in een veilige omgeving opgegroeid is. Hij geeft aan: ‘Want naast de ruzies van mijn ouders, werden wij, met uitzondering van mijn zus, die bijna 10 jaar jonger was dan ik, allemaal geregeld mishandeld, zowel psychisch als lichamelijk, voornamelijk door mijn moeder.’

Hij verklaart verder over de gevolgen:

‘Ik heb mijn jeugd ook als een traumatische tijd ervaren en er altijd last van blijven houden: slecht slapen, nachtmerries, concentratiestoornissen en onbestemde en bestemde angsten.’

Hij geeft erbij aan: ‘Voorts is er een PTSS syndroom bij mij geconstateerd als gevolg van de onveilige en klappen uitdelende moeder in mijn jeugd. Het belangrijkste symptoom van dit syndroom is bij mij angst en alles dat hiermee samenhangt: slecht slapen, je nooit op je gemak voelen en nachtmerries.’

Overmatig alcoholgebruik

Frank geeft toe: ‘Je gaat dan drinken ter zelfmedicatie om deze verschijnselen tegen te gaan. Helaas is in dit geval het middel vaak erger dan de kwaal, want alcohol is een harddrug en een echte killer.’ Later in het verhaal komen we hierop terug.

Nieuwe aanpassingsproblemen in Nederland

Frank deelt ons mee over de nieuwe moeilijkheden in zijn jeugdjaren: ‘Terug in Nederland had ik aanpassingsproblemen: kon nauwelijks Nederlands spreken, het klimaat beviel mij niet (het leek wel of de zon nooit scheen). Op school moest ik wegens taalproblemen weer van voren af aan beginnen. Hiernaast beviel de drukte binnen Nederland mij niet; ik was immers altijd een leven met veel ruimte en vrijheid gewend geweest.’

Verhuizingen, allerlei veranderingen en aanpassingen in verschillende landen zullen een stempel hebben gedrukt op het leven van Frank.

Aanpassingsproblemen, onthechtingen verplaatsingen kunnen geestelijke problemen veroorzaken en een gezonde ontwikkeling in de weg staan. Dit komt vaker voor bij hen die dit in hun kinder- en jeugdjaren hebben ondervonden. Je kunt jezelf dat inderdaad moeilijker hechten en aanpassen bij nieuwe contacten en in nieuwe situaties.

Het lijkt dat Frank zich daarna ook heeft voortbewogen over de breuklijnen van een ingewikkelde, maar ook harde maatschappelijke samenleving. Daarbij kunnen we denken aan een ongezonde prestatie- en afrekencultuur.

Werken aan een nieuwe toekomst

Hij verhaalt ons over het verdere verloop: ‘Na het behalen van mijn middelbare schoolopleiding op achttienjarige leeftijd moest ik, na een half jaar bij een verzekeringsmaatschappij gewerkt te hebben als kantoorbediende, opkomen als dienstplichtig militair bij de Koninklijke Marine (bij de administratie). Deze diensttijd beviel mij niet zo, je moest immers altijd doen wat je opgedragen werd en ik was de vrijheid zo gewend.’

Frank (vooraan met baard) tijdens zijn diensttijd bij de Nederlandse marine.

Zijn dienstplicht bij de marine duurde bijna twee jaar, daarna ging hij een korte termijn verder in de verzekeringen. Frank geeft aan: ‘Terug op mijn oude werkplek bij de verzekeringsmaatschappij, waar ik een kantoorbaan had, zag ik de nutteloosheid van het werken met papieren en geld in en besloot iets te gaan doen waar je je nuttiger kon maken en met mensen kon werken.’

In opleiding als psychiatrisch verpleegkundige

Uiteindelijk kwam Frank toen hij begin de twintig was  bij de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige in Den Haag terecht. Dat was een B-opleiding, waarbij je ‘broeder’ in de psychiatrie werd genoemd.  Hij solliciteerde naar deze opleiding, waarbij je meteen een volwaardig salaris kreeg.

Onzeker, faalangstig en een koppige doorzetter

Frank begon de opleiding, ondanks onzekerheid en faalangst. Deze zaken speelden aanvankelijk ook een rol bij het aangaan van een relatie met een vriendin. Hij was in die tijd ook wel gemakkelijk te beïnvloeden, zoals hij gewend was om naar zijn ouders te luisteren en de bevelen in militaire dienst op te volgen. Omdat hij nog geen echte mening of visie had, sloot hij zich gemakkelijk bij anderen aan.

Toch kon Frank ook koppig zijn als het hem uitkwam. Hij geeft aan: ‘Het feit dat alles niet volgens verwachting liep met de opleiding dreef mij zo ver dat ik er juist niet mee op wilde houden. Als alles zonder problemen was verlopen, dan had ik er misschien wel de brui aan gegeven! Deze koppigheid heeft mij er uiteindelijk toe gebracht de opleiding af te maken: een goede drijfveer dus! Wat ik toen nog niet besefte, was dat het geheel binnen de opleiding een bijdrage leverde tot mijn ontwikkeling: het leven is immers een leerproces en vaak kun je alleen leren als het allemaal niet zo makkelijk gaat.

Hij verklaart verder: ‘Deze weerstanden in het leven heb je blijkbaar nodig om je te sterken op je weg naar zelfstandigheid en volwassen worden. Ik had inderdaad al geleerd wat zelfstandig te kunnen zijn en zonder steun van mijn ouders mijn eigen boontjes te doppen, maar dit was nog een wankel evenwicht. Ik was makkelijk over te halen een andere weg in te slaan. Ik was nu pas begonnen mijn weg te vinden in het leven!’

Zo behaalde Frank de vooropleiding en mocht hij doorgaan in de psychiatrische opleiding.

Stress en alcohol in zijn tweede studiejaar bij de stage

Tijdens de stage in het tweede studiejaar werken werd Frank zelf onrustig door de onrust waar hij dagelijks in verkeerde. Hij kon ‘s nachts moeilijk slapen, vooral als hij net een late dienst achter de rug had.

Hij vertelt erover: ‘Alles spookte nog door je hoofd door de drukte en de dreigende sfeer de hele dag om je heen. De onrust van de afdeling kwam als het ware op me over en ik had altijd tijd nodig om het te verwerken.

Van collegae kreeg ik hetzelfde te horen. Sommigen, die al langer op de afdeling werkten, hadden er weinig of geen last meer van omdat ze zich er voor af konden sluiten (het waren voor een deel ‘robots’ geworden). Ze deden hun werk zonder veel emotionele betrokkenheid en namen het werk niet naar huis.’ Hij geeft verder aan:

‘Ik moest alle zeilen bijzetten om het werk vol te houden.’

Hij legt uit: ‘Vaak heb ik moeten helpen bij het aanleggen van een spanzeil, iemand isoleren of separeren, met al het lichamelijk en verbaal geweld dat daar mee gepaard ging. Daarna ging ik weer naar huis om de nachtrust te zoeken die ik hard nodig had, maar spaarzaam kreeg omdat de onrust (adrenaline) nog zó in me zat, dat ik nog uren of soms de hele nacht wakker lag.

De volgende ochtend moest ik dan vaak weer vroeg op voor een vroege dienst en ging dan vermoeid en met lood in mijn schoenen naar het werk, zonder de broodnodige rust voor het veeleisende werk op deze afdeling!

De neiging die je dan kreeg was: een borrel voor het slapen

om tot rust te komen,

en dit werd steeds meer tot je bij jezelf bemerkte

 dat je meer dronk dan goed voor je was.

Dit was een heilloze weg en ik wist mezelf op tijd tot de orde te roepen, wat veel andere collegae blijkbaar niet lukte, want veel collegae waren aan de drank of gebruikten zowel hard- als softdrugs. Vaak om de onrust in zichzelf draagbaar te maken.

Ik kon moeilijk afstand doen van alle ellende die je tegenkwam: het ene geval was nog triester dan het andere. Het enige dat je kon doen was: het geheel in toom houden. Van wezenlijk contact met de patiënten was geen sprake.

Soms was er een weinig contact in de vorm van een glimlach of een ander teken van herkenning. Het elkaar uitschelden en aanvliegen was een vorm van communicatie.

In deze tijd heb ik het boek van Thomas Szasch gelezen waarin de belangrijke constatering: “je kunt niet niet communiceren”, te vinden was. Dit heeft mij aan het denken gezet en kwam ik tot de conclusie dat schelden en agressie een vorm van contact zoeken is, wel een in onze ogen negatieve manier, vaak toch de enige manier voor deze zwaar psychisch zieke mensen om contact te maken.

Op mijn tandvlees kon ik het werk op “de onrust afdeling” blijven doen tot mijn overplaatsing.

Deze vier maanden waren de zwaarste van mijn leven geweest, tot nu toe.

Ik moest me in deze tijd ook voorbereiden op het overgangsexamen van het tweede naar derde leerjaar, waarvan men zei dat dit tevens het moeilijkste examen was.’ Ondanks dit alles haalde Frank het tweede jaar van de opleiding.

Meer zelfstandig werken in zijn derde leerjaar in de psychiatrie

Hij verhaalt ons over zijn derde leerjaar in de psychiatrie: ‘De derdejaars status had een belangrijk nadeel: je stond vaak nog meer alleen in je werk en de verwerking van de gebeurtenissen, die op je af kwamen. Er was immers (bijna) helemaal geen begeleiding meer. Men ging er van uit dat je voldoende wist en genoeg ervaring in het werk had en de verwerking van je gevoelens onder de knie had.

Dit zelfstandig werken had ook voordelen: Je kon je gang gaan binnen bepaalde grenzen, zolang je de ethische grenzen maar in de gaten hield. Nu had ik het gevoel zoveel gezien en meegemaakt binnen de inrichting en de psychiatrie, dat ik  wat gehard was en emotioneel meer kon hebben. Dit bleek in de praktijk te kloppen, want het werk begon me minder zwaar te vallen, doordat je beter afstand kon nemen en het begrip relativeren een belangrijke plaats bij mij in begon te nemen: ik begon wat luchtiger en minder serieus tegenover het werk te staan, uit zelfbehoud. Beroepsdeformatie* noemden ze dat. Ik begon aan dit syndroom te lijden!’

(*Beroepsdeformatie betekent: dat je door je beroep bepaalde eigenschappen gaat ontwikkelen, die je ook in het dagelijkse leven in de praktijk brengt, vaak onbewust.)

Frank kon daarna kiezen voor een aantal beroepsrichtingen waar je welkom was als B-verpleegkundige. Eigenlijk vond hij zichzelf nog te jong en onervaren in het leven om het werk goed aan te kunnen, zoals dat toen bij de meesten van de opleiding het geval was.

Het voorval met de spuit

Frank vertelt ons over een voorval dat hij in die tijd heeft meegemaakt. (De naam van de patiënt is fictief.) Hij verhaalt ons: ‘Op een avond werd een manische* patiënt opgenomen, Jan genaamd, die door de politie in handboeien binnen was gebracht vanwege verzet en agressie.

(*Manisch is een psychotische toestand waarbij de patiënt onrustig en druk is en het gevoel heeft alles aan te kunnen.)

Jan schreeuwde onophoudelijk dat hij naar huis wilde en een psychiater wilde spreken. Samen met een collega moest ik hem bij opname op de opnameafdeling een kalmerende cocktail-injectie geven, waarbij mijn collega met de politie de man vasthield en ik hem zou injecteren.

Op het moment dat ik de spuit in z’n bovenbeen had en op het punt stond de vloeistof in te spuiten, trok hij dat been los en gaf mij een oplawaai met dat been dat ik achterover viel, de spuit de lucht in vloog en vlak naast mij terechtkwam, met de punt in het zeil en helemaal krom gebogen.

De nog aanwezige politie en de collega moesten hem nog een tijd in bedwang houden, omdat ik een hele nieuwe spuit moest gaan klaarmaken, waarna de hele geschiedenis zich herhaalde, waarbij de naald tijdens het spuiten deze keer door Jan krom getrokken werd, omdat hij zijn been niet stil kon houden.

Pas na de derde poging lukte het mij Jan de benodigde vloeistof toe te dienen. We waren uitgeput na deze pogingen. Jan lag een uur later onder het spanzeil te slapen en we hebben nooit meer last van hem gehad.’

Na de meerjarige opleiding (met een uitgebreide stage) keerde Frank terug naar Dordrecht en kreeg hij daar al vrij snel een goede baan als therapeut op de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis. Hij heeft daar 11 jaar gewerkt.

Een loopbaan in de psychiatrie

Frank heeft een vervolg geschreven op zijn eerste boek. Zijn tweede boek geeft op beschrijvende en autobiografische wijze een beeld van zijn verdere loopbaan, met daarbij een korte opname van hem in de psychiatrische hulpverlening. Hij gaat hierin verder met zijn levensverhaal nadat hij gediplomeerd psychiatrisch verpleegkundige was geworden.

Hij besloot aanvankelijk te blijven werken op de centrale opname/observatie afdeling binnen een inrichting. Hij zag er van af om te gaan werken bij een consultatiebureau voor alcohol en drugs (CAD). Hij vond dat verslaafdenzorg op dat moment voor hem teveel gevraagd.

Hij geeft ons daarbij te kennen: ‘Ik was tenslotte niet verslaafd, de cultuur was hier echter helemaal op gericht: het waren allen verslaafden aan het een of andere goedje, dat was bij mij zeker niet het geval, alhoewel, ik dronk in deze tijd een stevig biertje en zelfs bij tijd en wijlen whisky, rookte zo nu en dan een stickie, maar van een echte verslaving was naar mijn opvatting geen sprake!’

Hij keerde terug naar de plaats waar ik opgegroeid was. Hij is daar in een middelgroot algemeen ziekenhuis gaan werken. Ze vroegen daar op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis sociotherapeuten in opleiding, die zijn (voor)opleiding hadden. Hij werd daar geplaatst op een splinternieuwe afdeling binnen het ziekenhuis dat een moderne manier van werken zou invoeren: zogenaamde “sociotherapie”.

Hij trok daar eerst bij zijn ouders in, totdat hij op zichzelf kon gaan wonen. Bijna elf jaar is hij op deze afdeling in dat ziekenhuis blijven werken.

Na twee jaar op deze afdeling was de (interne) opleiding van Frank voltooid en was hij sociotherapeut.

Zwaar en teleurstellend werk in de psychiatrie

Na verloop van tijd sprak hij tijdens een nachtdienst met een collega over het werken in de psychiatrie. Deze gaf in zijn eindconclusie aan dat het werken in de psychiatrie ‘dweilen met de kraan open’ was, omdat het zo arbeidsintensief was om psychiatrische patiënten in hun ziek zijn goed te begeleiden, terwijl dit in de praktijk nooit uitvoerbaar zou kunnen zijn. Frank geeft daarbij aan: ‘Hier ben ik zelf goed over na gaan denken en kwam tot dezelfde conclusie.

Het werk was zo veeleisend, dat het ondoenlijk was dit op te blijven brengen op de langere termijn.

Om me heen zag ik weinig mensen die in de praktijk van de psychiatrie hun pensioen haalden:

De meesten stopten vervroegd via de WAO, of zochten ander werk, of kregen een lichamelijke ziekte of aandoening. 

Dit inzicht was het begin van het einde van mijn motivatie om in de psychiatrie te blijven werken. Ik begon na een flink aantal jaren ook te merken dat ik het werk steeds minder aan kon: emotioneel bezien nam ik het werk steeds vaker mee naar huis, waardoor ik slecht sliep en dientengevolge mijn werk steeds minder aan kon. Nu was het wel zo dat ik een vaste baan had, een redelijk inkomen. Inmiddels had ik een vrouw, een huis en twee kinderen. Dus, wat nu?’

Hij ging verder met zijn werk met verminderde motivatie en inzet. Hij zag in dat hij een versnelling terug moest nemen en besloot dit dan ook te doen. Als het een gegeven was dat (bijna) niemand dit werk tot z’n pensioen vol hield, zat er voor hem niets anders op dan ook ander werk te gaan zoeken.

Frank verhaalt: ‘Dit dilemma speelde de laatste jaren van mijn loopbaan van bijna 11 jaar als sociotherapeut een grote rol en was er de oorzaak van dat ik naar ander werk ben gaan zoeken. Dankzij mijn opleiding voor een hoger leidinggevende functie lukte het mij na een paar jaar een voor mij passende baan te vinden: in een verpleegtehuis op een psychogeriatrische afdeling als afdelingshoofd.’

Het werken in een verpleegtehuis

bleek voor hem zeker zo zwaar als de psychiatrie.

Onder collega’s die met dezelfde problemen te kampen hadden werd gesteld:  ‘dat hoort bij het vak’.

Hij maakte het in die tijd mee op het werk op dat de agressie bij veel patiënten hand over hand toenam. Hij vertelt  uit eigen ervaring: ‘het overkwam mij steeds vaker dat ik in de ziektewet terechtkwam doordat ik met gekneusde ribben, gescheurde enkelbanden, een hersenschudding en bedreigingen met de dood, geconfronteerd werd!’

Het hoofd van de afdeling gaf aan dat als je angst toonde, dit tot gevolg had dat je als eerste gegrepen werd door een patiënt. Frank verklaart: ‘Dit verband was mij wel bekend. Toch vroeg ik me af wat te doen als je wel last hebt gekregen van angst in de steeds toenemende bedreigende situaties waarmee je geconfronteerd werd.’

Frank geeft verder aan: ‘Al mijn collega’s hadden er in meer of mindere mate last van, men ging er weer van uit dat het bij het werk hoorde en je moest er mee leren om te gaan. Mijn opvatting dat je hierbij hulp nodig had, werd meestal weggewuifd.’

De agressie nam toe. Het kon zelfs zo ver gaan, dat als je niet meteen de wensen van een patiënt uitvoerde, je een pak slaag kon krijgen!

Frank: ‘Patiënten gingen steeds hogere eisen stellen en als je hier niet aan tegemoet kon of wilde komen, was bedreiging, verbaal of lichamelijk geweld, de volgende stap.’

***

Een levensbedreigend voorval

Frank geeft ons de volgende traumatische ervaring met ernstige gevolgen door. Hij verhaalt: ‘Tijdens een nachtdienst met een vrouwelijke collega heb ik volgende levensbedreigende voorval meegemaakt. Dit voorval heeft een grote indruk op mij gemaakt en er (mede) voor gezorgd dat ik mijn werk in de psychiatrie niet meer aan kon en ander werk ben gaan zoeken.’

Frank vertelt ons verder over het voorval met de patiënt, die hij de gefingeerde naam Ko geeft: ‘Een week voordat het voorval plaats vond, was de jongeman Ko opgenomen. Hij werd verwezen vanuit een psychiatrisch ziekenhuis. Bij opname bleek hij daar enkele weken wegens agressieve buien in een isoleer te hebben gezeten. Na een korte behandeling werd besloten hem naar onze (open) afdeling te sturen voor verdere behandeling. Volgens het rapport, dat hij meegenomen had, waren zijn drift- en agressiebuien onder controle en zou groepstherapie nu op z’n plaats zijn.

Tijdens het opnamegesprek dat ik met Ko had, kwam hij vriendelijk en gemotiveerd over. Toch viel hij een keer door de mand door overmatig geprikkeld te reageren toen ik hem (vriendelijk) wees op zijn taak in het huishoudelijk gebeuren. Het bleef binnen de perken, dus besteedde ik er verder geen aandacht aan.

Ko werd ingedeeld in een groep en volgde braaf het programma en aanvankelijk was niets te merken van agressie, tot die bewuste nacht.

Ko kwam luidruchtig en kennelijk flink onder invloed van alcohol terug van een avondje stappen en ging bij ons in de huiskamer zo luidruchtig te keer, dat mijn collega Lies en ik er wat van zeiden. Dit was de aanleiding voor hem om Lies, in mijn afwezigheid, zó toe te takelen dat ze niet meer lopen kon.

Toen ik ter plaatse was vloog hij mij aan, waarbij ik het geluk had dat hij met z’n hoofd op de zijkant van een tafel klapte en bewusteloos bleef liggen. Ik merkte dat hij nu bovenmatig sterk was, dat er tegen in gaan geen enkele zin had. Met zijn kennelijke kracht van het moment moest je het toch afleggen in een gevecht!’

Frank gaat verder: ‘Na met hulp van mijn gewonde collega Lies een brancard te hebben opgetrommeld, waren we bezig Ko er op vast te gespen, om hem zodoende naar een andere afdeling in het ziekenhuis te vervoeren, voor zijn verwonding aan het hoofd. Hierna zouden we Ko, vanwege zijn agressieve buien, naar de isoleer verplaatsen.

Hij kwam met een bloedende hoofdwond bij tijdens het vervoer en leek nu wel een wild beest: begon om zich heen te slaan waardoor ik getroffen werd en half groggy op de grond bleef liggen.

Ko vond een eind ijzer en liep de afdeling af en zette zijn terreur voort in de rest van het ziekenhuis. Lies was niet in staat om mij bij te staan vanwege de verwonding aan haar been. Nadat ik bijgekomen was, belde ik de portier op via het hoofdkantoor en vroeg om assistentie van de politie. Door de telefoon hoorde ik de dreigende woorden van Ko bij de portier!

Later kreeg ik te horen dat hij een waar spoor van vernielingen en bedreigingen binnen het ziekenhuis had achtergelaten:

Een arts was bedreigd en geslagen. De verpleging was van een afdeling weggevlucht, waar hij met de ijzeren staaf stond te zwaaien. Een politieagente was met de ijzeren staaf flink geslagen. De portier was bedreigd door Ko, omdat hij bezig was de politie te bellen. Uiteindelijk lukte de portier dit toch en was Ko even uit het vizier.

Toen ik bezig was de patiënten op de afdeling te kalmeren en de rommel wat op te ruimen, hoorde ik in de verte Ko weer met een hoop kabaal aankomen.

Ik besloot de confrontatie uit de weg te gaan, vanwege het gevaar, en, me te verschansen in het hoofdkantoor door de deur op slot te doen.

Dit was niet naar de zin van Ko, waarna hij met dezelfde ijzeren staaf op de ruit (die onbreekbaar was) begon te slaan. Ik voelde me met de dood bedreigd en dacht: mocht hij de deur inslaan, wat zou er dan van mij overblijven? Hij was immers door het dolle heen! Al z’n agressie had Ko nu blijkbaar op mij gericht en hij moest en zou door de ruit!

Gelukkig kwam toen de politie met versterking aanzetten, hij werd in de handboeien geslagen en naar de isoleer gebracht met een klein legertje personeel uit het ziekenhuis, vier politieagenten en ikzelf, waarna hem een stevige cocktail spuit toegediend werd. Door de combinatie spuit/alcohol sliep hij weldra in.

Ik was zo geschrokken van deze levensbedreigende situatie, dat ik de volgende ochtend na de nachtdienst niet kon slapen en het geval maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Lies bleek gescheurde kniebanden te hebben en kon niet werken tot nader order.

U begrijpt mijn verbazing toen ik de volgende nacht weer op mijn werk kwam en Ko weer gewoon op zijn eigen bed zag liggen. Hij bleek zelfs gewoon meegedaan te hebben met het groepsprogramma!’

PTSS en de gevolgen

Frank verklaart: ‘Ik ben geestelijk door dit voorval nooit meer de oude geworden en ging in eerste instantie een paar weken de ziektewet in om daarna mijn werk weer te hervatten, met steeds de angst dat zoiets nog wel eens kon gebeuren, ging ik steeds met lood in mijn schoenen naar het werk. Later begreep ik dat ik aan het posttraumatisch stress syndroom (PTSS) leed: slaapstoornissen, depressies, allerlei onbestemde angsten, en de onmogelijkheid om je werk naar behoren te kunnen doen.’

***

Niet herkende psychische nood

De psychische nood bij Frank werd echter niet herkend op zijn werk. Het kwaad was geschied en hij had gedaan wat in zijn vermogen lag. Hij vertelt over dit diepe dal in zijn leven:

‘Nu zat ik met de gebakken peren en hulp van collega’s hoefde ik niet te verwachten, omdat mijn toestand niet eens herkend werd als zijnde ernstig: er werd weer gebagatelliseerd!’

Deze hele affaire heb ik nooit helemaal kunnen verwerken en van begeleiding hierin was helemaal geen sprake. Praten met collega’s hierover had evenmin zin, want die gingen er van uit dat dit bij je werk hoorde en dat je dit soort voorvallen gewoon aan moest kunnen! Natuurlijk wilde ze je verhaal wel een keer aanhoren, maar hier bleef het bij.

Hoe kun je vleugellam ontsnappen?

Frank gaat verder: ‘Vleugellam bleef ik plichtsgetrouw mijn werk doen, maar ik richtte me nu sterk op het vinden van ander werk: dit wilde jammer genoeg ook niet vlotten, dus moest ik noodgedwongen mijn werk op de afdeling blijven doen. Met een gezin dat afhankelijk van je is, kun je niet zomaar ontslag nemen.

Veel positieve kanten van de verwerking op het werk heb ik niet genoemd, omdat dit geen soelaas bood. Op het laatst was het alleen maar mijn plicht doen en niet meer dan dat.

Zelfs gesprekken met de controle arts, tijdens mijn ziekte periode, waren een wassen neus. Hij gaf aan wat ik allang wist: ik moest ander werk vinden, liefst zo snel mogelijk. Een andere begeleiding bij de verwerking van deze traumatische ervaring was er blijkbaar niet. ‘

Hij geeft verder aan: ‘Een mogelijkheid was zelf om hulp aan een (collega) therapeut te vragen. Dit zou weer stigmatisering met zich mee brengen en daar paste ik voor. Het zou mijn kans op het vinden van ander werk aanmerkelijk verkleinen. Zelfs in dit vak was het feit dat je onder behandeling was van een psychiater, een reden om je niet aan te nemen. Het probleem werd weer geïndividualiseerd: het was mijn probleem geworden en ik kon er geen oplossing voor vinden.’

Doe wat je wilt doen

In deze periode vond hij steun in het boek “Niet morgen, maar nu” van Wayne Dyer. Veel uitgangspunten in dit boek had hij in de praktijk van de psychiatrie geleerd en zelfs weten toe te passen. In het boek wordt aangegeven dat je je leven in moet delen zoals jij dat wil en niet zoals zovelen doen, om anderen een plezier te doen, of in een goed blaadje te komen bij anderen. Wat Frank precies wilde, zonder te letten op zijn omgeving, dat was ander werk.

Hij merkt op over die tijd: ‘Het feit dat je je gevoel met je verstand kunt beïnvloeden bracht ik nu noodgedwongen in de praktijk: ik zat met mijn gevoel (traumatische ervaring) in de knoop en met mijn verstand wist ik mijn gevoel in toom te houden.  Psychotisch ben ik immers nooit geworden, zoals zo vaak gebeurt met mensen in zo’n situatie.’

Het werk als afdelingshoofd

Frank kreeg na bijna 11 jaar een baan aangeboden als afdelingshoofd in een psychogeriatrisch/somatisch verpleegtehuis.

Het ging in deze nieuwe uitdaging om een baan waarbij hij de leiding had over een afdeling met demente en/of lichamelijk zieke vrouwelijke bejaarden, met 20 mensen personeel. Het feit dat bejaarden met psychische problemen (dementie) opgenomen werden was het enige raakvlak met de psychiatrie/sociotherapie.

Hij verhaalt ons: ‘Gemotiveerd en met frisse moed ging ik mijn volgende avontuur binnen de hulpverlening tegemoet. Ik ging voorbij aan het feit dat de verwerking van de traumatische ervaring met Ko nog lang niet voorbij was en dat deze nieuwe uitdaging gedoemd was te mislukken, omdat ik psychisch nog te veel met mezelf in de knoop zat.’ Hij verklaart:

‘Ik begon op een verkeerde manier aan deze veeleisende baan:

 ik had nog last van het posttraumatisch stress syndroom (PTSS).’

Hij had ook grote problemen in zijn relatie met zijn vrouw.

Frank vervolgt: ‘Op zo’n moment echter doe je net of er niets aan de hand is, ofschoon er signalen genoeg waren dat ik psychisch niet in orde was. Slapeloosheid, dwangneurotische neigingen (controledwang), vaak ziek (griep, verkouden, hoofdpijn en maag/darmklachten) en een neerslachtige stemming waren mij ten deel gevallen.’

Frank voelde zich gedwongen om door te werken, ook om financieel voor zijn gezin te kunnen blijven zorgen.  Zijn verstand én gevoel gaven echter aan: dit moet je niet doen, je kunt het niet aan! Hij werkte op een afdeling waar een slechte sfeer heerste, ‘met haat en nijd’.

Uiteindelijk kwam zag hij in dat hij onvoldoende tot zijn recht kwam in deze tak van de gezondheidszorg en de leidinggevende taak die hij had. Terug naar de psychiatrie vond hij een gepasseerd station. Frank was toen bijna 15 jaar werkzaam in de psychiatrie en zijn motivatie om zo verder te werken was tot nul gereduceerd. (Hij heeft het totaal ongeveer 20 jaar volgehouden in de psychiatrie.)

De scheiding in zijn gezin en de pijnlijke gevolgen

En kwamen meer tegenslagen, zodat Frank in een nog diepere crisis terechtkwam. Hij deelt ons mee over die heftige tijd: ‘Tot overmaat van ramp was in deze periode mijn huwelijk bezig op de klippen te lopen na een periode van tien jaar en twee jonge kinderen. Deze persoonlijke tragedie (zo ervoer ik het in ieder geval) ging mij niet in de koude kleren zitten, en belemmerde mijn functioneren nog meer!

Ik besloot als overgang, en om alle scheidingsperikelen de baas te kunnen, de ziektewet te gebruiken. Er was immers geen andere oplossing. Het werk groeide mij boven het hoofd. Er moest een ander onder komen geregeld worden. Om maar te zwijgen van de emotionele problemen door het omgangs(on)recht voor wat betreft het zien van mijn kinderen.

Op een pijnlijke manier kwam ik er achter dat bij een echtscheiding de kinderen automatisch aan de moeder toegewezen worden en de vader langs de zijlijn toe mag kijken! Juridisch bezien was ik rechteloos om mijn kinderen geregeld te kunnen zien. Mijn (ex)echtgenote was immers voogdes en ik was afhankelijk geworden van haar nukken en grollen als het om de omgang met mijn kinderen ging.’

De scheiding heeft hem psychisch en materiaal veel gekost. Hij moest het huis uit, waarin zijn vrouw en kinderen (van ca. 4 en 6 jaar) bleven. Daarna moest hij alimentatie betalen, zag zich ‘kaalgeplukt’.

Hij heeft zijn pensioen bij Zorg en Welzijn afgekocht om aan de financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Daarna had hij weinig contact met zijn kinderen, die werden afgeschermd door hun moeder.

Hij geeft verder aan: ‘Eerst halve dagen werken, hetgeen in de praktijk niet ging: de afdeling had leiding nodig. Ik besloot er nu helemaal een tijdje mee te stoppen, om zodoende mijn leven wat op orde te krijgen. Afstand nemen van alles, inclusief werk, leek mij nu op z’n plaats. In deze tijd was ik in staat een andere woonruimte te zoeken en de emotionele kanten van een scheiding wat te verwerken.’

Dat Frank zijn kinderen zo weinig kon zien, raakte hem diep in zijn wezen. Hij kon met zijn verstand zijn gevoelens niet meer voldoende onder controle houden. Hij verklaart over die tijd: ‘Ik voelde me vaak zo diep ongelukkig dat ik besloot hulp bij een collega (hypno)therapeut in te roepen.’

Een uitzichtloze situatie als patiënt

Hij kon toen beter begrijpen wat de patiënten in zijn vorige baan moeten hebben gevoeld bij een scheiding met kinderen.

Hij laat ons weten: ‘In mijn werk in de groepstherapie was ik vaak tegen deze problemen aan gelopen bij anderen en had ze overdreven gevonden! Nota bene, nu zat ik er zelf mee, en kon moeilijk een uitweg vinden, vooral wat betreft de emotionele kant van de zaak. Nu het mijn beurt was deze ellende te ondergaan, bleek het geheel tegen te vallen. Ik kon maar met moeite mijn gevoelens onder controle houden, zelfs met de meerwaarde aan kennis over hoe je er mee om diende te gaan. De praktijk bleek veel zwaarder dan de theorie, zoals zo vaak.’

Frank verhaalt: ‘In deze periode heb ik zelfs wel eens aan zelfmoord gedacht, wat tot die tijd nog nooit bij me opgekomen was. Deze neiging kwam onwillekeurig wel eens naar boven, als ik het uitzichtloze van mijn situatie onder ogen zag. De therapeut was nu dus bezig op een harde manier zelf patiënt te worden. Dit proces heb ik maar met moeite samen met mijn therapeut om kunnen keren!

‘Een overmatige depressie was mij nu ten deel gevallen’

Een overmatige depressieve stemming was mij nu ten deel gevallen. Ik had zelfs antidepressieve medicatie nodig om op de been te blijven, iets wat ik tot nu altijd had veroordeeld bij patiënten. Ik wist dat het middel vaak erger was dan de kwaal, en dat medicijnen (geneesmiddelen worden ze ook wel genoemd) voor psychische problemen vaak geen oplossing waren. Nu had ik ze zelf nodig!’

Tijdens zijn wekelijkse therapie uurtje met een therapeut die hij goed kende, kon hij toen ervaren wat het was om aan de andere kant van de tafel te zitten. Desondanks geeft hij aan:

‘Toch was het positieve ervaring voor mij in mijn verdere leven:

ik wist nu eindelijk wat het was om patiënt te zijn!’

Hij keerde na een aantal maanden terug naar zijn werk. Vanwege de vele problemen en conflicten op zijn afdeling, besloot hij na een aantal maanden ontslag te nemen. Hij vertrok met stille trom, precies twee jaar nadat hij zijn baan daar was begonnen.

Als therapeut in therapie voor eigen herstel

Frank besloot daarna ruim de tijd voor zichzelf te nemen. Hij had toen wekelijkse therapeutische zittingen, die hij als een uitkomst zag. Hij zegt erover:

‘Ik leerde veel over mezelf en mijn sterke en zwakke kanten, kreeg mijn dwangneurotische neigingen onder de knie met hypnose en wat belangrijk was: ik kon over mijn gevoelens met iemand praten waar ik me veilig bij voelde. Het gevoel je veilig te voelen bij je therapeut ervoer ik als het belangrijkste bij de therapie zittingen.’

Daarna volgde er een zware tijd voor hem.

Op veel onderdelen was het crisis in zijn leven.

Hij was bezig met de emotionele verwerking van de scheiding en de relatie met zijn kinderen. Dat ging gepaard met heel wat juridische verwikkelingen. Hij was op gebied van werk en carrière op een doodlopende weg aangekomen en werkloos.

Verder herstel en een eigen praktijk

Na ongeveer een half jaar kwam hij in contact een vroegere kennis (die hij Theo noemt). Deze had  theologie gestudeerd. Hij hield zich bezig met de hulpverlening aan mensen met psychische problemen.

In deze periode was hij ook nog in therapie bij de collega. Deze gaf aan ‘dat iedere therapeut vroeg of laat zelf in therapie zou moeten gaan en dat je hier veel van kon leren.’ Dat hielp Frank over de drempel. De behandeling door zijn collega gaf hem het zelfvertrouwen terug dat hij nodig had.

In combinatie met de steun van Theo krabbelde hij snel uit de put en wist zijn leven weer inhoud te geven door hem te helpen bij zijn werk. Het werk in de opvang van mensen met psychische problemen begon hem weer te interesseren. Na verloop van enkele maanden ging hij ook zelfstandig mensen begeleiden en helpen met hun psychische problemen.

Theo begon met Frank een stichting in geestelijke hulpverlening om mensen met (lichte) psychische problemen te helpen.

Ze gingen eerst met een bestelwagen een reis van twee maanden naar het Midden Oosten maken. Tijdens deze reis kreeg hij zijn angsten beter onder controle. Hij zag tijdens deze vakantie meerdere malen de dood in de ogen en was daardoor in zijn houding tegenover het leven veranderd.

Hij zag het betrekkelijke van het leven in (met de opgebouwde zogenaamde zekerheden).

Geloof en doop in Israël

Door het contact met Theo begon Frank zich steeds meer te interesseren in de boodschap van de Bijbel. Israël is het land van de Bijbel, waar Jezus heeft geleefd. Door Theo kreeg hij zicht op het licht van de weg van Jezus Christus.

De weg tot herstel ligt in het geloof in Jezus Christus.

Frank leerde dat de weg van herstel ligt in ‘het tot geloof komen en Christus als je verlosser aan te nemen’. Frank begon het licht weer te zien. Hij zegt dat het was ‘de kaars die al door mijn moeder in mijn jeugd ontstoken was, door mij op God en Christus te wijzen’.

Frank vertelt ons: ‘Mijn moeder leerde mij ook bidden voor het slapen gaan. Hij geeft daarbij aan:  De aanwezigheid van een hogere macht te voelen, kreeg weer meer betekenis voor mij, en Christus werd weer belangrijk voor mij, want ik had dankzij Theo en de moeilijke tijd die ik doormaakte, weer houvast in het leven gekregen. Mijn geloof, dat later ‘een zeker weten’ werd, was zo sterk geworden, dat ik besloot om me in Israël opnieuw te laten dopen.

Ik was als kind immers al door mijn moeder als Hervormd gelovige gedoopt, maar een bewuste doop op oudere leeftijd, in Nazareth, de woonplaats van Christus, leek mij nu zeker op z’n plaats. En zo werd ik gedoopt tijdens onze vakantie, die nu meer uitgelopen was op een bedevaartstocht door de woonstreek van Christus, in een Palestijns-Anglicaans kerkje, door een Palestijns christelijke predikant.

Deze bewuste doop blijkt nu een schot in de roos te zijn geweest, want de betekenis was enorm: Ik ben mede hierdoor op het pad van Christus gebleven, zelfs in moeilijke tijden. Deze doop, die slechts een half uur duurde, is de basis gebleven voor mijn verdere religieuze leven en mijn latere leven.’

Frank verklaart: ‘Mijn neuroses zijn door veel te praten met Theo flink afgenomen, want tegenwoordig ga ik van het eenvoudige standpunt uit: het enige wat je in wezen kunt verliezen is je leven, maar aangezien er zeker een hiernamaals is, kun je alleen dit leven verliezen door ziekte of een ongeval!

Dit bracht een rust over mij heen.

En Theo wist dit gevoel bij mij in stand te houden door zijn voorbeeld: dat hij geen wezenlijke angsten in zijn doen en laten liet merken en mij regelmatig wees op mijn angsten en onzekerheden in dit aardse leven. Zijn houding en rotsvast geloof was een goed voorbeeld voor mij en ik ben hem hier nog steeds dankbaar voor!’

In dankbaarheid kijkt Frank terug: ‘Theo had mij iets belangrijks meegegeven. Mijn zelfvertrouwen was weer op peil, maar nog belangrijker: Ik was weer tot geloof gekomen! Nu was het echter een zeker weten voor me geworden, want er was nu maar één weg: de weg naar God via Jezus Christus.’

‘Ik was weer tot geloof gekomen!’

***

Werken als christelijk hulpverlener

Terug in Nederland werkten zij in de stichting en kregen ze (weliswaar op bescheiden schaal) een cliëntenbestand met psychische problemen en problemen op gebied van religie. In deze tijd werkte hij dus samen met theoloog Theo, die zich bezig hield met de hulpverlening van mensen met psychische problemen, die hun oorsprong in de religie hadden.

Frank vertelt ons dat de theoloog Theo en hij verschilden van mening over wie je al dan niet onder behandeling diende te nemen.

Hij geeft aan: ‘Ik vond dat psychotische mensen beter in een gesloten instelling behandeld konden worden, door het gevaar van agressie en de nauwe begeleiding die dan nodig is. Theo vond dat dit moest kunnen en behandelde ook psychotisch/agressieve mensen die zich bij hem aanmeldden. Dat was een menslievend en heel waardig uitgangspunt, maar was het realistisch?

Op een avond had Theo een patiënt onder behandeling die wel eens opgenomen was geweest op de afdeling waar ik als sociotherapeut gewerkt had, en daar bekend stond als zeer explosief en agressief. Ondanks mijn waarschuwingen besloot Theo hem toch te behandelen.

Toen ik ’s ochtends voor overleg bij hem binnenkwam, bleek een deel van de huisraad gesloopt te zijn, waarbij de cliënt zelfs kans gezien had een houten biels van zo’n 80 kilo door de kamer te smijten, met alle gevolgen van dien.’

Nieuwe banen en teleurstellingen

Na verloop van tijd zette Theo zijn stichting alleen voort.  Het lukte Frank om een baan te krijgen in de jeugdhulpverlening/maatschappelijk werk. Hij is binnen deze stichting aangenomen als maatschappelijk werker. Zijn werk bestond uit het begeleiden, herkennen en doorverwijzen van psychische problemen van oudere jeugd in de fase van de adolescentie.

Daarna volgde zijn werk als docent. Hij zegt erover: ‘Het docentschap voerde mij  een andere wereld en cultuur binnen: Een wereld van hard werken, groepen leerlingen in toom houden. Alles werd gedaan op analytische en wetenschappelijke basis. (…) Mijn eerste ervaring bestond uit lesgeven in een opleidingsinstituut in het vak psychiatrische verpleegkunde.’

Hij geeft aan: ‘Het was leuk, afwisselend en dankbaar werk. Het was leuk, ervaringen die ik opgedaan had in de praktijk, met dankbare leerlingen te delen. Het was dan ook vervelend dat de bezuinigingswoede ook hier toesloeg: Ik was als laatste aangesteld als onbevoegd docent en moest er dus als eerste uit! In deze tijd ben ik op advies van deze instelling mijn onderwijsbevoegdheid, in de vorm van een lerarenopleiding, gaan halen, dit was namelijk in die tijd verplicht om les te kunnen geven.

Ik was ternauwernood begonnen met de opleiding, toen ik te horen kreeg dat er vakdocenten (zoals ik toen genoemd werd) zouden worden ontslagen. En inderdaad was ik een paar maanden later weer werkeloos. Ik was echter bezig met het behalen van mijn onderwijs bevoegdheid, dus had ik nog wat om handen.’

Na ongeveer een half jaar kreeg hij werk bij een MBO opleiding als docent ziekteleer en gezondheidskunde. Het bleek te gaan om grote klassen van slecht gemotiveerde leerlingen van overwegend meiden van 16 tot 18 jaar, waar volgens hem ‘geen goed garen mee te spinnen’ was.

Dit werk begon hem steeds meer tegen te staan. Hij werd zelfs geregeld bedreigd en/of geïntimideerd door leerlingen. Hem werd gezegd dat hij niet goed functioneerde en niet streng genoeg was voor de leerlingen. Frank besloot er na een half jaar al mee te stoppen en ontslag te nemen. Niet lang daarna heeft hij zijn onderwijsbevoegdheid gehaald.

Na een tijdje werkloos te zijn geweest, kreeg hij een baan als reclasseringsambtenaar. Zijn werk bestond in de praktijk uit het aangaan van gesprekken met de gedetineerden.

Het viel hem op dat er veel psychisch leed bij de gedetineerden aanwezig was in de vorm van psychoses, depressies, neuroses, kortom allerlei psychiatrische stoornissen, waar hij zich dus ook op ging richten in dit werk. Hij geeft door, dat naar zijn schatting veertig procent van de gedetineerden in meer of mindere mate psychiatrische stoornissen hadden, die vaak niet werden herkend en behandeld. Het werd zelfs als ‘aanstellerij’ afgedaan.

Zeker 40 % van de gevangenen was van buitenlandse afkomst. Verder werd er binnen het huis van bewaring in van alles en nog wat gehandeld, ook in soft- en harddrugs, terwijl vooral telefoonkaarten werden ingezet om zaken af te kopen.

Frank heeft daar een jaar op contract gewerkt, waarna een jongere collega in zijn plaats werd aangenomen.

Zelf opgenomen in de psychiatrie

Frank dacht dat een opname hem nooit zou overkomen, maar het is er uiteindelijk toch van gekomen. Hij geeft aan: ‘Na mijn tweede huwelijk en de blijkbaar onvermijdelijke scheiding, ben ik emotioneel zó ontredderd geraakt, dat ik in een tamelijk zware depressie terechtkwam, waarbij alleen antidepressiva nog hielpen.’

Hij verklaart:

‘Dus ben ik uiteindelijk wel door de bocht gegaan en antidepressiva gaan innemen, op advies van de psychiater, terwijl ik tot dit moment een groot tegenstander was van welke vorm van medicatie dan ook!’

Hij voelde zich  door de depressie zo beroerd op geestelijk gebied, dat het leek dat het hele leven zinloos was geworden. Daardoor had hij nergens meer zin in. ’s Morgens uit bed was zelfs een opgave. Hij zag overal tegenop.

Hij legt uit: ‘Je verwaarloost jezelf zowel op lichamelijk als psychisch vlak. Op psychisch niveau weet je niet meer met een positieve kijk naar het leven toe te staan en je ziet echt de zin van het leven niet meer, met alle gevolgen van dien. Je wordt onverschillig naar alles toe en wordt suïcidaal omdat je alles teveel vindt en niet meer kunt genieten van zaken die je vroeger als prettig ervoer.

Vooral ’s ochtends bij het wakker worden keek je tegen de dag op als een zwart gat: hoe moest je deze dag weer doorkomen? Je gaat jezelf steeds meer verwaarlozen, waardoor de depressie alleen maar erger wordt!

Hierbij voel je jezelf niets waard en is alles dat je voor jezelf doet teveel, want je bent het toch niet waard om jezelf te verzorgen of voor jezelf op te komen (assertief zijn dus) terwijl ik hiervoor goed in staat was dit te doen!

In dit soort gevallen blijft alleen veel geduld bij anderen en zogenaamde medicatie over om je uit dit dal te tillen.’

De napijn van een nieuwe scheiding

Frank verhaalt ons verder: ‘Na een gedwongen verhuizing door de scheiding (de zoveelste in mijn leven) kwam ik door toeval vlak bij een psychiatrisch ziekenhuis te wonen. Ik besloot me daar zogenaamd ambulant te laten behandelen voor de depressie, want ik bleef maar in een kringetje ronddraaien. Mijn verstand zei me dat het beste was, maar mijn gevoel bleef achter bij haar (mijn toekomstige ex-vrouw) en mijn vorige leven en huis.

Ik begon de relatie ook  behoorlijk te idealiseren. Ik dacht vaak dat ik altijd alleen zou moeten blijven de rest van mijn leven, met alle gevolgen van dien.

Blijkbaar kwam er ook ‘een midlife crisis’ duidelijk om de hoek kijken. Wat had mijn leven nu nog voor zin. Ik had alles al een keer meegemaakt en wilde eigenlijk niet verder leven op deze manier!’

Frank kreeg tijdens zijn depressie toen al vrij snel twee nieuwe relaties achter elkaar, die weliswaar mislukten.

Hij geeft aan: ‘Ik raakte steeds meer in een neerwaartse spiraal, zelfs met gebruik van antidepressiva. Ik besloot mezelf, na een ambulante behandeling, via een instituut van dagbehandeling op te laten nemen.’

Dagbehandeling en opname

Er volgde een dagbehandeling van twee ochtenden in de week, met een goede begeleiding. Daarbij kreeg hij een medicamenteuze behandeling, in de vorm van antidepressiva. Via zijn behandelend psychiater kwam het vervolgens tot een opname op een open opname afdeling. Hij merkt erbij op: ‘Zou het er nu toch van komen dat zo’n ervaren kracht in de psychiatrische hulpverlening opgenomen zou worden? Ik zag er als een berg tegenop!’

Gezien zijn CARA klachten kreeg hij een geschikte comfortabele eenpersoonskamer met alle zaken die hij nodig had, waarbij hij gedeeltelijk opgesloten zat. In het behandelplan waren er vooral veel restricties. Frank verklaart: ‘Gezien het feit dat ik depressief was, was structuur voor mij belangrijk.’ Drie ochtenden dagbehandeling werden hem opgelegd.

Frank vertelt ons verder: ‘Veel gedachtes gingen door me heen en ik begon er nu al aan te twijfelen of ik wel op de juiste plek was voor de behandeling van mijn depressie, die voortvloeide uit een Post Traumatisch Stress Syndroom. (Deze was ontstaan door psychische en lichamelijke mishandeling in mijn jeugd en de traumatische ervaringen opgelopen tijdens mijn werk in de psychiatrie en de hulpverlening in het algemeen.)

Ik had gehoopt, dat ik nu eens de behandeling zou krijgen die ik nodig had: intensieve psychotherapie om de trauma’s te verwerken en een bepaalde dagstructuur, die als aanvulling hierop zou worden gegeven.

Ik was zelfs bereid medicatie te nemen, als dit daadwerkelijk zou helpen, in aanvulling op de reeds geslikte geneesmiddelen die mij blijkbaar geen steek verder gebracht hadden (sterker nog: me rijp voor opname gemaakt hadden). Want ik was er sterk van overtuigd dat de medicijnen eigenlijk meer schade dan goed gedaan hadden tot dan toe.

Ik had al een heel traject achter de rug van het verslaafd raken aan valium (omdat ik er zo rustig van werd) en het weer moeizaam afbouwen, wat haast geen doen was (want een meer verslavend goedje kon je je haast niet bedenken).

Nu was ik al zo ver dat ik alleen zo nu en dan een valium innam, als het echt niet meer te harden was.’

De behandelaar stelde dat Frank hier tijdens deze opname maar maximaal zes weken kon blijven, terwijl zijn hele verblijf alleen gericht was op het instellen van medicatie en structuur aanbieden in de vorm van een dagprogramma, waar hij weer geleerd zou worden om de ADL functies ( = de dagelijkse lichamelijke verzorging) aan te kunnen. Daarbij werd er geen woord gerept over trauma verwerking en/of eventuele psychotherapie.

Geen hulp van een maatschappelijk werker

Frank verhaalt ons verder over die zware periode in zijn leven: ‘In deze tijd had ik een gesprek aangevraagd aan een maatschappelijk werker, om wat zaken door te spreken aangaande de scheiding, die nog lopende was. Er werd mij op niet mis te verstane barse toon gezegd, dat hij me daar niet mee zou helpen, want ik was daar zelf best toe in staat!

Terwijl nu juist het probleem was dat ik door deze onmiskenbare depressie en concentratiestoornissen niets meer voor elkaar kon krijgen. En als ik het voor elkaar kreeg, dan maakte ik er weer een zooitje van, door mijn chaotische manier van denken van dat moment. Zijn houding was er een van: je moet niet zeuren, het kan nog veel erger en je bent tot meer in staat dan je denkt.

Vooral zijn hautaine houding werd mij teveel. Tot overmaat van ramp wees hij mij zelfs de deur!’

Afname van depressie

Frank laat ons vervolgens weten: ‘Verder is het tobben gebleven tijdens mijn opname. Het enige wat tegen verwachting in goed werkte, was een nieuw soort antidepressivum, dat ik zelf opgezocht had op internet. Ik kreeg mijn psychiater zo ver om mij deze voor te schrijven, waarna ik snel opknapte.

Ik wist niet wat me overkwam. Ik begon weer lichtpuntjes te zien in het leven en begon ook weer van de kleine dingen in het leven te genieten, zoals wandelen, de warmte van de zon, fietsen, op een terrasje zitten, of gewoon eens onder de mensen te zijn en door de stad lopen.

Na een opname van ongeveer vier weken, besloot ik met ontslag te gaan en terug te gaan naar de dagbehandeling, waar ik me weer heel snel thuis voelde en zonder gehijg in m’n nek, de tijd kon nemen om de resterende depressie de baas te worden. Mijn depressie was zogenaamd aan het vervlakken, zoals dat in vaktermen gesteld werd.’

Aan het eind van zijn loopbaan kreeg Frank een WAO-uitkering toegewezen, zodat hij financieel zijn hoofd boven water kon houden. Vanaf zijn 56e jaar is hij vanwege een forse burn-out in de WAO terecht gekomen. (Eerst werd hij gedeeltelijk en later volledig afgekeurd.)

***

Een alcoholverslaafde

Frank vertelt over zijn verslaving: ‘Na een heel leven van soms extreem alcoholgebruik, nam het gebruik alleen maar toe, en voordat je het weet ben je gewoon verslaafd! Ik heb wel eens geprobeerd een jaar helemaal te stoppen, maar het ging langzaam maar zeker weer de verkeerde kant op. Ik was behoorlijk verslaafd aan dit gevaarlijk en verwoestende goedje.’

Vanaf zijn 18e jaar heeft hij in meerdere of mindere mate alcohol gedronken. Tijdens zijn twee huwelijken dronk hij minder. Er waren dagen dat hij 3/4e fles jenever op een dag dronk.  ‘Afwijzing, eenzaamheid en het hebben van geen toekomstperspectief’ waren oorzaken waardoor hij zoveel dronk.

Afwijzing en eenzaamheid

 waren de oorzaken van de alcoholverslaving

Hij geeft aan over zijn toenemend alcoholgebruik: ‘Ik had er een probleem bijgekregen door mijn alcoholverslaving, dat ik weer als een gevolg zag van deze emotioneel zware tijd! Dat was ook wel zo, want je probeert het verdriet (wat dan geregeld op komt zetten) letterlijk te verdrinken in alcohol. De negatieve gevolgen van deze verslaving wil je dan gewoon niet meer zien, je beroept je op je ellende en het zielig zijn.’

Hij geeft aan, dat de alcohol wel op de korte termijn helpt, maar je later alleen maar ellendiger doet voelen. Hij vertelt over zijn ervaringen: ‘Je glijdt dan steeds verder af in de negatieve spiraal van zelfbeklag, alcoholgebruik en je steeds slechter voelen. Op een gegeven moment interesseert dit alles je niet meer (…) er komen steeds vaker suïcide-gedachtes bij je op.’

Het alcoholprobleem werd erger vanaf dat hij ca. 60 jaar was. Het kwam ook doordat hij zo weinig contact kon hebben met zijn kinderen.

Tussen zijn 62e en 67e  jaar

was hij wel 5 jaar een heftige drinker

Frank dronk bij tijden een halve liter jenever per dag of vieux van 35%. Hij vermengde de sterke drank wel met water. Hij gebruikte tegen beschadigingen daarbij eenmaal per dag wel vitamine B1, B6 en B12. Hij beschermde zich dan toch nog als psychiatrisch verpleegkundige, die wist van de schadelijke gevolgen. Hij had in zijn jeugd al te weinig vitamine B, waardoor zijn centrale zenuwstelsel onderontwikkeld en gauwer gestrest was. Frank kende zichzelf als een overgevoelig en sensitief persoon. Daarbij hield hij zichzelf in beweging door wat te wandelen en te fietsen.

Hij heeft dit overmatige gebruik lang volgehouden, totdat hij een klein auto-ongeluk kreeg en tot bezinning kwam. Hij geeft aan dat hij toen ‘weer helemaal tot geloof kwam en een overtuigd christen werd’. Hij verklaart: ‘Ik was tot die tijd een zogenaamd naamchristen geweest, maar dit hield in dat ik toch deed waar ik zin in had. Nu was er een zingeving in mijn leven gekomen, die mij van de alcohol afgeholpen heeft. Ik zeg nu: ik ben een alcoholist, die niet meer drinkt!’

Doorgaan en doodgaan, of je laten helpen en leven

Ten einde raad kwam hij tot de slotsom: ‘Je komt er dan ook niet meer uit zonder hulp! Dus ben ik hulp gaan zoeken, want m’n hele leven leek naar de Filistijnen te gaan, ik stond toen letterlijk voor de keus: drink ik me dood of ga ik nog wat van m’n leven maken?’

Met de hulp van God

‘Mijn geloof en het volgen van Jezus gaven mij het antwoord:

Me dooddrinken was geen optie, want ik had immers nog een taak te volbrengen: nader tot God komen en het Evangelie verspreiden.

Dit hield mij overeind!’

‘Ik had dergelijke zware tijden, waarbij ik alles kwijt was geraakt, wel eens vaker meegemaakt! Ik was er toch weer doorheen gekomen, met de hulp van God, Jezus en de Heilige Geest. Maar de hulp van deze drie-eenheid had ik deze keer des te harder nodig – en ik riep die in. Deze keer was ik er ook van overtuigd dat ik het zonder Zijn hulp niet zou redden!

Het is een belangrijk besef dat goed tot je door moet dringen: Ik red het niet zonder Zijn hulp. Je geeft je dan helemaal over aan Hem, zo van: ik kan het zelf niet meer, maar U kunt het wel!

Deze Goddelijke hulp is dan de enige uitweg in je lijden en je krijgt dan ook de juiste hulp van de Heilige Geest, Die precies weet wat je nodig hebt en je hierin voorziet.’

‘Ik kan het zelf niet meer, maar U kunt het wel!’ 

Hulp bij de bevrijding van alcohol- en rookverslaving

Frank vertelt hierbij: ‘Als een engel van hulp herstelde het contact met een eerdere hulpverlener en zag hij, vanuit zijn zorg, dat ik nu echt zijn hulp hard nodig had, anders dan zou het verkeerd met me aflopen. In overleg met hem liet ik me twee weken opnemen in een verslavingskliniek met de Bijbel.

Ik wist me na deze periode zogenaamd genezen van de alcoholverslaving. Niets was minder waar, want je bent zowel lichamelijk als geestelijk verslaafd. De geestelijke verslaving duurt een hele tijd voort, want iets dat jaren geduurd heeft om zich te ontwikkelen, kan niet in twee weken verholpen zijn!

Een zware tijd om van de alcohol en rookverslaving af te komen

Dus volgde er een zware tijd om echt helemaal van de alcohol af te komen. Hierna gebeurde hetzelfde wat betreft mijn rookverslaving. Beiden tegelijk stoppen bleek geen optie te zijn. Ik heb nog een tijd flink doorgerookt. Na minstens 15 pogingen kon ik deze verslaving ook de baas worden! Deze verslaving is (indien mogelijk) nog moeilijker te bedwingen dan alcohol.’

Het werk van de Heilige Geest

‘Maar met hulp van de Heilige Geest is me dit ook gelukt! De Heilige Geest is immers de beste therapeut ooit, en weet precies wat je nodig hebt en je steunt op een zachte, liefdevolle manier.’

De Heilige Geest doet het op de beste therapeutische manier

‘Je voelt je vaak zo alleen staan en er komen vragen in je op. Waarom zou ik verder in leven bleven voor dit zinloze leven? Maar dan komt de Heilige Geest je te hulp om je een gevoel van saamhorigheid te geven als kind van God en volgeling van Jezus. Dan verdwijnt het gevoel van eenzaamheid, want Jezus heeft toegezegd altijd bij je te blijven, tot het moment dat Hij terug zal keren op de aarde.’

Frank geeft aan, dat bidden helpt en dat het met de hulp van de Heilige Geest lukt. Hij verklaart: ‘Tot dat moment was het me nog niet echt gelukt om blijvend van verslavingen verlost te blijven, nu zeker wel. De behoefte hieraan is nu helemaal weg en zal ook weg blijven, als je het maar overgeeft aan Jezus.’ Via Hem leg je het bij God. Hij stelt: ‘Dit besef moet wel goed tot je doordringen, maar de Heilige Geest helpt je hier wel bij. De Bijbel is een hele belangrijke leidraad in het leven!’

Als ex-verslaafde vertelt hij ons: ‘Ik heb een tijd gehad dat ik me niet voor kon stellen, dat ik niet optimaal kon leven zonder alcohol en later ook roken, maar dat is nu helemaal voorbij! Dagelijks krijg ik door gebed en de Heilige Geest de kracht om door te gaan op het smalle pad van Jezus. Dat is een pad zonder verslavingen, met rust, bezinning en het besef dat er een hiernamaals is, waar je geestelijk lichaam naar overgaat als je komt te overlijden.

Nu heb je direct geen angst meer voor de dood, wat de basis is van alle angsten in dit materiële leven hier op aarde. Je leeft dan wel in deze wereld, maar bent niet meer van deze wereld.’ Dat is geloofstaal!

‘Dagelijks krijg ik door gebed en de Heilige Geest de kracht

 om door te gaan op het smalle pad van Jezus.’

***

Beproevingen die blijven

Het wil echter niet zeggen dat alle beproevingen en problemen weg zijn uit het leven van Frank. Hij geeft ons door: ‘Het is jammer dat je jezelf wel erg alleen voelt staan. In de wereld en zeker in Nederland zijn er veel weerstanden naar het geloof en vooral onze verlosser Jezus toe. Mensen vinden je in je opvattingen vaak achterhaald en ouderwets. Ze creëren liever een Paradijs op aarde dan Jezus te volgen en van het eeuwige leven uit te gaan, dat Hij ons beloofd heeft!’

Hij laat weten: ‘De laatste jaren weet ik met behulp van veel christelijke contacten en vrienden mijn hoofd boven water te houden, ofschoon de beproevingen voort blijven duren. Maar toch zie ik kans van de alcohol af te blijven, zelfs het roken heb ik vaarwel gezegd!’

Verder geestelijk herstel blijft nodig. Hij heeft daartoe het (bevrijdings)pastoraat bij Cleansing Stream gevolgd. In 2019 was hij aanwezig op  cursusavonden van de Sta op cursus Geestelijk herstel van Sta Op Zorg in Vlissingen. Daar heb ik hem ook meegemaakt. (Ik ben zijn interviewer en samensteller van dit artikel, waarbij ik uitgebreid de tekst van Frank heb gebruikt.)

De beproevingen van Frank bestaan onder meer uit het feit dat hij zijn (klein)kinderen niet meer zie. Hij geeft daarbij aan: ‘Het loslaten is emotioneel bezien heel moeilijk, ofschoon het geloof me wel op de been houdt! Ik heb twee volwassen zoons uit mijn eerste huwelijk. Ik heb nu twee huwelijken achter de rug, met alle emotionele gevolgen van dien.’

Hij gaat verder: ‘De laatste jaren zijn voor mij emotioneel bezien zwaar geweest als gevolg van omstandigheden, namelijk een pijnlijke scheiding van mijn tweede vrouw, en het contact met mijn kinderen uit het eerste huwelijk dat te wensen over laat. Ik zie ze de laatste jaren helemaal niet meer en dus ook de drie kleinkinderen niet, en dat is een hard gelag.’

Geestelijke strijd

Het vervelende is dat de duistere, lage geestenwereld actief blijft om je juist weer tot deze verslavingen terug te brengen. Zij doen er alles aan om je te verleiden weer van Jezus af te houden. Want voor hen is je redding geen optie! Je was immers van hen.

Deze strijd was zo nu en dan hevig, in de vorm van paniekaanvallen, slecht slapen en nachtmerries. Ja, vooral in de nacht, als je zwak bent (want je bewustzijn is dan laag) volgen de aanvallen om je zwakker te maken in je strijd tegen de boze en om Jezus te blijven volgen. Wat dit geheel betreft moet ik hier een Bijbeltekst citeren: ‘Want we vechten niet tegen mensen, maar tegen machten en krachten die over de wereld willen heersen. We vechten tegen de leiders van de duisternis, tegen de hoogste kwade machten’ (Efeziërs 6- 12).

Tja, lijden hoort bij het leven, denk ik altijd maar, en hoe meer je de weg van Jezus volgt, hoe meer je beproefd wordt en hoe meer je moet lijden, zowel lichamelijk als geestelijk.’

Je wordt beproefd als je de weg van Jezus volgt

Op weg naar verder herstel, met geloof in Jezus en hoop op God

De psychische klachten en de restgevolgen van emotionele beschadigingen zijn aanzienlijk minder geworden sinds Frank tot geloof is gekomen. Hij geeft aan dat dit komt door het werk van de Heilige Geest. Hij verwoord daarbij zijn hoop: ‘ Waarbij mijn toekomstperspectief ligt in de volledige genezing: niets is tenslotte onmogelijk door de liefde en kracht van God!’

Frank vertelt ons in 2019 vanuit de verworven vrijheid die hij al mag genieten: ‘Wat belangrijk voor mij was om mijn leven te beteren: ‘met alcohol stoppen, niet roken en mijn sociale contacten herstellen.’ Hij beseft, dat zinnig bezig zijn uiterst belangrijk is. Daarbij is het zeker nodig om nader tot God komen en Jezus als verlosser aan te nemen. Dat biedt namelijk een basis om het herstel mogelijk te maken.

Frank geeft verder aan: ‘Zonder de steun en hulp van God en de weg van Jezus (en dus van de Heilige Geest, die je dan automatisch ten deel valt) doe je immers niets.

De zucht naar alcohol en roken gaan dan vanzelf over, je hebt er gewoon geen behoefte meer aan. Je gaat je op andere zinnige dingen in het leven richten en je raakt steeds verder af van de slopende verslavingen, die gevoed worden door de boze (satan en zijn demonen die je blijven aanvallen in hun poging om je van de smalle weg van Jezus af te houden).

Echt herstellen doe je niet

als je het op eigen kracht wilt en blijft doen.

Je moet het probleem overgeven aan God, dan zal de Heilige Geest je verder op een prima en vaak subtiele manier begeleiden, als de beste psychiater die je ooit zult vinden!’

***

Levensloop van Frank Hissink in het kort

Frank heeft in zijn jeugd voornamelijk in Nederlands Indië en Australië gewoond. Hij geeft aan: ‘Ik ben op mijn vijftiende vast in Dordrecht komen te wonen, na te zijn geëmigreerd naar Australië, en wegens ziekte van mijn vader, teruggekomen te zijn.’

Na het behalen van zijn middelbare schoolopleiding werkte hij een half jaar als kantoorbediende bij een verzekeringsmaatschappij. Hij kwam daarna op achttienjarige leeftijd als dienstplichtig militair bij administratie van de Koninklijke Marine. Deze dienstplicht bij de marine duurde bijna twee jaar. Daarna ging hij een korte termijn terug op zijn oude werkplek bij de verzekeringsmaatschappij.

Vervolgens kwam Frank, toen hij begin de twintig was, bij de opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige in Den Haag terecht.

Hieronder volgen in tijdsvolgorde de opleidingen en het werk van Frank:

Chronologische lijst van opleidingen van frank Hissink:

– High School Australië: 3 jaar.

– MULO-A wiskunde Nederland 3 jaar,

aangevuld met een avond HAVO opleiding.

– Opleiding tot acceptant verzekeringen.

– Opleiding tot schrijver bij Koninklijke Marine.

– Opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige,

3 en een half jaar in Den Haag.

– Kaderopleiding Gezondheidszorg HBO.

– HBO IW, een opleiding van 4 jaar voor groepstherapeut.

– SPW HBO 2 jaar.

– Lerarenopleiding verpleegkunde HBO 2 jaar.

Achtereenvolgende werkervaring van Frank, zoals hij zelf aangeeft:

– Acceptant Verzekeringsmaatschappij, 3 jaar.

– Diensttijd kon marine, 21 maanden.

– Psychiatrisch verpleegkundige, later sociotherapeut/groepstherapeut

op de psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, 11 jaar.

– Coördinerend afdelingshoofd verpleeghuis Humanitas Rotterdam,

2 jaar.

– Eigen praktijk geestelijke hulpverlening Stichting Syntyche, 4 jaar.

– Maatschappelijk werker Stichting de Loopplank Rotterdam, 2 jaar.

– Maatschappelijk werker Reclassering Middelburg, 2 jaar.

– Leraar verpleegkunde Hogeschool Zeeland Vlissingen, 2 jaar.

– Daarna ben ik, vanaf mijn 56e jaar, in de WAO terecht gekomen,

vanwege een forse burn-out (eerst was ik gedeeltelijk en later

volledig afgekeurd). Ik was toen geestelijk een wrak en nergens meer

toe in staat.

– Ik ben nu in 2019 al 68 jaar en met pensioen vanaf mijn 65e levensjaar.

– Ik heb zeker het geluk hervonden!

***

Geloof en herstel

Frank is door een gelovige moeder en ongelovige vader opgevoed en jarenlang (tot 1990) buitenkerkelijk geweest. Hij deelt ons mee, dat hij op zijn 36e weer tot geloof is gekomen, na de scheiding van zijn eerste vrouw (waarbij hij twee zonen heeft).

Hij is door de genadige voorziening van God tot geloof gekomen door middel van een goede vriend van hem (een theoloog).  Hij vertelt ons: ‘Ik ben in Israël, 1990, gedoopt in een Palestijns christelijke kerk te Nazareth.’ Verder geeft hij in 2019 aan, dat hij tot enkele jaren geleden een naamchristen is geweest en nu definitief de keuze laten heeft vallen op Jezus en Hem nog steeds volgt met de hulp van de Heilige Geest.

Hij vertelt ons over zijn kerkelijk leven: ‘Ik ben bij veel kerkelijke gemeentes geweest of wel lid geworden, met name PKN, Doopsgezinde gemeente, Capitol Worship Centre, Leger des Heils en de laatste 8 jaar de Rafael gemeente Goes.’

Frank verklaart in mei 2019: ‘Mijn geloof is weer actief geworden toen ik voor de keuze kwam te staan: door te gaan met drinken, komen te overlijden of me over te geven aan Jezus en de Heilige Geest.’ Hij kijkt terug:

‘Ik heb vanaf mijn achttiende altijd gedronken en ben er sinds een paar jaar helemaal mee gestopt, ook het roken is verleden tijd sinds een jaar.’

Hij geeft ons daarbij mee: ‘Zoals je wel op zal vallen, heb ik een heel bewogen leven achter de rug, maar ben ik uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat er maar één ware weg in het leven is: die van Jezus en de Heilige Geest.’

Over de weg naar geestelijk, psychisch en lichamelijk herstel geeft hij aan: ‘Het herstel is gekomen toen ik op mijn 66e met pensioen ging, toen ik geconfronteerd werd met het feit dat ik zou komen te overlijden als ik door zou drinken.’ Hij geeft ons als getuigenis door:

Ik ben nu nog steeds een herstellende alcoholist,

die absoluut niets meer drinkt,

met hulp van de Heilige Geest en het gaat nu goed met mij.

 Ik heb zelfs het geluk teruggevonden!’

***

Nawoord van Frank en heilzame conclusies

Frank geeft aan in het nawoord van zijn tweede boek: ‘In dit boek heb ik getracht te schetsen hoe de hulpverlening naast de psychiatrie in de praktijk werkt, met gevallen en verhalen om alles wat te verduidelijken. Ik ben tot de conclusie gekomen dat er vaak niet de hulp werd geboden die nodig was, en dat deze hulpverlening (in mijn geval en omgeving) slecht functioneerde. Hoe zou je de hulpverlening kunnen verbeteren?’

Hoe zou je de hulpverlening kunnen verbeteren?

Waarom gaat men vaak niet op de hulpvraag in?

Frank vraagt meer aandacht voor de vragen van de hulpvrager. Hij heeft geleerd dat  de basishouding in de psychiatrie is: ‘tijd en aandacht voor de mensen en een luisterende houding.’

Hij heeft opgemerkt: ‘Opvallend was wel dat vele collega’s die in de hulpverlening werkzaam waren, zich er niet eens van bewust waren dat ze een hulpverlenende taak hadden, met een basishouding vanuit de psychiatrie. Men deed vaak gewoon zijn werk, zonder te beseffen dat je er voor je medemens was en ook daadwerkelijk de hulpvraag moest herkennen en hier wat mee moest doen. Vaak ging men niet op de hulpvraag in.’

Frank geeft aan uit eigen ervaring: ‘Tijdens een gesprek met een psychotherapeut van een RIAGG, werd er volledig voorbij gegaan aan mijn hulpvraag op een moment dat ik zelf moeilijk zat in mijn leven. Het leek wel of ik met een ambtenaar van de belastingdienst te maken had, die slechts koste wat het koste de regeltjes moest handhaven, dan een hulpverlener, die mij hulp moest bieden. De hulpvraag had ik duidelijk gesteld, dus daar kon het niet aan liggen.’

Van het kastje naar de muur gestuurd

Frank deelt de kritiek naar de hulpverlening, namelijk dat ze te bureaucratisch, te gefragmenteerd en teveel ‘sturend van het kastje naar de muur’ zou zijn. Hij wijt dat ook aan de papierwinkel die vaak ten grondslag aan de hulpverlening ligt. Hoe vaak mensen worden niet doorgestuurd, terwijl de ene instantie niet goed weet wat de ander doet, omdat het niet alles doorgelezen of doorgegeven wordt vanwege de vele papieren en documentatie.

Wat komt er terecht van ‘zorg op maat’?

Frank heeft het ervaren dat er van de term ‘zorg op maat’ (wat een psychiatrisch ziekenhuis voorstond) in de praktijk  te weinig terechtkwam.

Oplossen van de oorzaken

Frank vindt dat we, omdat er teveel psychisch leed is om te behandelen, een andere weg op moeten, en dat we de oorzaak hiervan eens onder loep moeten nemen en oplossen.

Hij merkt erbij op: ‘Ik blijf bij mijn uitgangsstelling, dat er onnoemelijk veel psychisch leed veroorzaakt wordt omdat men niet weet wat men op deze aardkloot precies doet: waarom zijn we op deze aarde aanwezig? Als je doelloos hier rondloopt is het natuurlijk logisch dat je vroeg of laat vastloopt en psychische hulp nodig hebt.’

Geef ze een doel om voor te leven,

met geloof, hoop en liefde

Hij geeft als absoluut belangrijk verbeterpunt aan: ‘Simpel: door de mensen weer een doel in het leven te geven en religie weer de plaats te geven die het verdient als een belangrijke basis in het leven, waar je niet omheen kunt!

Een goede religie geeft een liefdevolle relatie

Velen raken beschadigd door verkeerde relaties en kunnen worden hersteld door goede relaties. Oorzaken van depressies en trauma’s zijn het missen van basisbehoeften, afwijzing, angst en bedreigende relaties. Het gaat daarbij voor het overgrote deel dan al mis in de kinderjaren. Door de liefde van God en het geloof in Zijn geliefde Zoon komt er geestelijk herstel in je leven. Het gemis, het gebrek en de derving worden daarmee opgelost en vervuld.

Het is van uiterst belang dat je wordt aanvaard in de Geliefde

 en dat je jezelf geliefd weet

Als hulpbehoevende en hulpvrager behoor je serieus genomen te worden. Iemand in geestelijke nood die niet wordt gehoord, weet zich niet aanvaard en geliefd. Gelovige hulpverleners bereiken het hart van de geestelijke belaste mensen met de liefde van Jezus, die ze mogen doorgeven.

Jezus is gekomen voor hen die geestelijk arm, behoeftig en gebroken van hart zijn, voor hen die zich geestelijk verslagen, gebonden en gevangen gevoelen.

Jezus verwoordt Zijn zending van God en missie in Lukas 4:18-19:

‘De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om aan armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken van hart zijn, om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezichtsvermogen, om verslagenen weg te zenden in vrijheid, om het aangename jaar van de Heere te prediken.’

We hebben het Evangelie (de blijde boodschap)

 van Jezus Christus nodig.

De meerwaarde van het geloof in God

Frank denkt dat de (natuurlijke, ongelovige) mens zijn religieus besef kwijt is geraakt, waardoor hij steeds zoekende is naar een zin in het leven en deze niet kan vinden. Daarom houdt deze mens zich overmatig bezig met zijn werk, het vergaren van geld en macht, alcohol en druggebruik enzovoort.

Frank stelt: ‘Zodoende komt hij psychisch in de knel.’ Hij vraagt zich af: ‘Is echt de enige zin in het leven: het voortbrengen van kinderen, hard werken en je (materiële) toekomst veilig stellen?’

Hij geeft ons door dat ‘de bedoeling van het leven is, om te leren religieus bezig te zijn om zodoende op een (immaterieel) hoger niveau te komen’. Hij merkt daarbij op: ‘Hoe staat het met onze christelijke (Goddelijke) overtuiging? Is de Bijbel, het belangrijkste boek ter wereld, dan helemaal achterhaald?

De mens zal weer moeten leren nader tot God te komen en zodoende zin aan het leven geven, dan zullen de vele psychische noden vanzelf verdwijnen.’

Als we nader tot God komen en een zinvol leven krijgen,

zullen vele psychische noden vanzelf verdwijnen

 ***

Medicijnen binnen de psychiatrie

Als psychiatrisch verpleegkundige weet Frank veel over het toedienen van medicijnen bij de psychiatrische behandelingen. Hij geeft het volgende voorbeeld van gebruikte medicijnen binnen de psychiatrie:

‘Toen men het eerste anti psychotisch middel (largactil) gevonden had, dacht men de oplossing voor bijna alle psychische noden gevonden te hebben, tot de zeer negatieve bijverschijnselen bekend werden en het middel weer vervangen werd door een zogenaamd ander, beter middel. Tegenwoordig gebeurt dit nog steeds, terwijl de psychische problemen blijven toenemen, soms niet op de laatste plaats door de nadelige gevolgen van het huizenhoge ‘geneesmiddelen’ gebruik.

Het woord geneesmiddel betekent dat het gaat om een stof die de psychische noden geneest, dus weghaalt, wat meestal niet het geval is. Het middel is vaak nog erger dan de kwaal.’

Hij stelt verder: ‘Vaak raken de mensen verslaafd aan het middel en dan heb je er een probleem bij! De farmaceutische industrie (die veel belang heeft bij de verkoop van deze middelen) zal er alles aan doen om te voorkomen dat mensen stoppen met het gebruik ervan, en de artsen blijven ze voorschrijven.

Vaak is het dan de keuze uit het minder kwade van de twee: psychotisch zijn of medicijnen gebruiken, waar je aan verslaafd en gewend raakt, dat ook nog eens slecht is voor je lichaam.’

Frank geeft daarbij aan: ‘Natuurlijk kun je als overbrugging wel eens een kalmerend of anti psychotisch middel gebruiken om de hoogste nood te bestrijden, maar het blijven gebruiken is vaak gewoon niet goed.’

Het vertrouwen in God is nodig!

Frank verklaart:

‘Een rotsvast vertrouwen in God is de oplossing

voor psychische noden bij de mens en niets anders!’

Andere menselijke oplossingen zullen altijd gedoemd zijn te mislukken, omdat er geen basis voor is. Het Godsvertrouwen is een zeer sterke basis in het leven en het bereidt ons ook voor op het hiernamaals, waarvan ik nu weet dat het bestaat.

Psychotherapie en religie

Hij gaat verder met het onderwerp ‘Psychotherapie en religie’: ‘Om dit standpunt te onderstrepen haal ik het boek van Prof. Van den Berg “Wat is Psychotherapie” aan, waarin hij stelt dat de mensheid bezig is de basis van zijn leven, namelijk religie, te verliezen, met alle gevolgen van dien op psychisch gebied. Hij praat dan over een “neurotiserende” factor, dat “psychisch ziekmakend” betekent.’.

Hij komt tot de slotsom: ‘Waarom verlaten wij als westerlingen zo massaal religie, om ons te weiden aan alleen wetenschap of materiële zaken? Hier heb ik als antwoord op, dat er machten bezig zijn ons  hier vanaf te houden, zodat we af blijven dwalen van het werkelijke belangrijke en betekenisvolle in het leven: ons Godsvertrouwen.’

Het probleem van de toenemende stress

Frank geeft aan: ‘Overal kom je stress tegen, omdat mensen steeds meer van zichzelf en hun omgeving eisen, om maar meer materiele rijkdom te vergaren, waar maar weinig mensen aan kunnen beantwoorden, zonder psychisch in de knel te raken. Dit zal zeker veranderen als men zijn eisen bij zou stellen!’

Hij geeft als advies: ‘Meer lichamelijke beweging is nodig. Ik ben iemand die veel beweegt, dus veel sport, fietst en wandelt, omdat ik er van uit ga dat lichamelijke inspanning ook geestelijke ontspanning met zich mee brengt.’

Burn-out bij hen die in de psychiatrie werken

Frank geeft ons het volgende verslag over ‘het opgebrand raken binnen de psychiatrische hulpverlening’: De mensen die binnen de psychiatrie werken kampen vaak met het probleem,  dat mij overkomen is: *het burn-out Syndroom.’ (*Bij dat syndroom zijn er verschijnselen die duiden op het niet meer aan kunnen van je werk. Burn-out betekent letterlijk: opgebrand.)

Frank tekent erbij aan: ‘De meeste werkers zetten zich met hart en ziel in om de psychische noden op te vangen en tot zekere hoogte te verhelpen, maar wie helpt de hulpverlener als het hem allemaal teveel wordt?’

Wie helpt de hulpverlener

als het hem allemaal teveel wordt?

Hij gaat verder: ‘Uit eigen ervaring weet ik dat deze opvang nauwelijks bestaat, men gaat er dan gemakshalve maar van uit dat als je opgebrand bent door het werk, je niet geschikt bent voor het werk en je maar ander werk moet gaan zoeken, wat er dan vaak eenvoudigweg niet is voor een opgebrande hulpverlener.

Volgens Frank is het een gegeven dat bijna iedereen in dit werk vroeg of laat opgebrand is, bijna niemand haalt de pensioengerechtigde leeftijd in het vak. Ligt dit dan aan de werkers of de werkomstandigheden?

Hij heeft meegemaakt: ‘Als iemand niet meer functioneert, omdat hij ‘op’ is, dan nemen ze gewoon een jongere (verse) kracht aan, die nog enthousiast en gemotiveerd is, omdat hij nog veel energie heeft.’

Waar haal je de energie nog vandaan?

Frank zegt het volgende vanuit eigen ervaring: ‘Je gaat in de psychiatrie met mensen om die energie van je af weten te tappen, door hen (vaak terechte) veeleisende gedrag. Wordt er dan maar lang genoeg door velen energie van je afgetapt, dan zit je zonder energie en lijd je aan het Burn-out Syndroom: Je hebt de energie niet meer om je werk naar behoren te doen.

Vreemd genoeg dat bijna iedereen die binnen de psychiatrie of zelfs de hulpverlening in het algemeen werkzaam is, op de hoogte is van dit veel voorkomende verschijnsel. Als je het met een collega bespreekt, legt men dit naast zich neer en men accepteert het als behorend bij het beroep. Vervolgens gaat ieder weer door met het werk, waarvan je van tevoren weet dat het werk zoveel energie opslokt dat je het nooit lang zult kunnen doen.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen op de regel, mensen die jaar in jaar uit onvermoeibaar door blijven gaan zonder dat het hen (zichtbaar) psychisch opbreekt.’

Hoe voorkom je psychische klachten?

Er word je ook vaak voorgehouden door werkers in de hulpverlening, dat als het werk je bevalt en je het gevoel hebt zinnig bezig te zijn, dit je energie oplevert. Ik denk dat dit wel tot een bepaalde hoogte klopt, maar dan vergeten ze dat cumulatie* van negatieve ervaringen en energie aftap van patiënten een grote rol speelt bij het werk.

(*Cumulatie betekent ophoping, dus de ervaringen die je raken hopen zich op in je onderbewustzijn met als gevolg dat je steeds meer last krijgt van psychische klachten.)

Je vergeet gewoon niet alles dat je meemaakt en het blijft onbewust een rol spelen in je functioneren op je werk en ook privé.

Vooral je privé (gezinsleven) gaat er onder lijden: je krijgt steeds minder zin om je met het gezin te bemoeien, ben doodop als je ‘s avonds van je werk thuis komt, en prikkelbaar. Je slaapt slecht en het wordt alleen maar erger. Tot de dag komt dat je er zelf van overtuigd raakt dat het zo niet verder gaat… en wat dan?

Het beeld dat ik hier schets is vrij algemeen en ervaren we allemaal vroeg of laat als hulpverlener.’

Hoe kun je afstand nemen?

Frank bedenkt in zijn afwegingen: ‘Afstand nemen is dan een oplossing, denk je in eerste instantie; maar dan kun je als hulpverlener niet naar behoren functioneren en krijg je problemen met hoger geplaatsten en/of collegae, want die willen dat je kwaliteit levert!

Een ander probleem is ook dat je als rechtgeaarde hulpverlener mensen ook goed wil helpen en dit kan alleen maar als je jezelf helemaal geeft, zonder afstand.

Wat ik beschreven hebt, blijft je heen en weer slingeren. Dit noemen ze dan een spanningsveld en dat hoort erbij en daar moet je mee om leren gaan. Waarom lukt dit dan bijna niemand?’

Psychiatrie heeft religie nodig

Frank is van mening dat psychiatrie ‘religie’ nodig heeft. Hij verklaart: ‘Al met al is het zo dat de psychiatrie probeert zo goed mogelijk mensen met psychische problemen te helpen met het minimum aan middelen (geld) en dat is zeer nobel. Maar als de basis ontbreekt in de vorm van een religieus besef, dan zal zeker elke hulp falen.’

We hebben Jezus Christus nodig!

In aanvulling op het nawoord van Frank kunnen we stellen: Bij het christelijk geloof spelen geloof, hoop en liefde een belangrijke rol. Jezus Christus heeft ons een volmaakt voorbeeld gegeven in het helend omgaan met de naasten. Hij is het levende Woord van God, de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij is het Licht der wereld in de duisternis van het moeitevolle bestaan van de mensen. Hij is de Heiland (de Redder, Bevrijder en Heler).

God wil door Jezus een liefdevolle relatie met ons aangaan,

om ons te verlossen van zonde, ellende en geestelijke problemen.

De christelijke religie heeft alles te maken met een liefdevolle relatie. Een positieve gelovige wil ook een liefdevolle relatie aangaan met de ander. In dat perspectief is het duidelijk dat psychiatrie het christelijk geloof nodig heeft als een geweldige meerwaarde.

In Mattheüs 11:28 nodigt Jezus:

‘Kom naar Mij toe, alleen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.’

Dat hebben we nodig als we geestelijk vermoeid en belast zijn.

Dat hebben ook zij nodig die psychisch in nood zijn.

 

***

Verdere ervaringen van Frank in de psychiatrie, met daarbij zijn opmerkingen en kanttekeningen

Medicijngebruik

Frank vertelt ons over de afdeling waar hij heeft gewerkt en het medicijngebruik van de psychiatrische patiënten: ‘Uitgangspunt op deze afdeling was dat je zo weinig mogelijk met medicijnen werkte, dus alleen de hoognodige medicijnen, vooral in het begin van de opname, om ze daarna weer snel te verminderen, indien dit mogelijk was.

Dus niet mensen volstoppen met medicijnen, zoals het zo vaak is ging in de inrichting (waar hij van weet): bijna alle mensen in de intramurale psychiatrie waren op de een of andere manier gedrogeerd. En dit was vaak aan hun houding en gedrag te zien: een robotachtige motoriek, een vlak gevoelsleven, overmatige speekselproductie, leverstoornissen en decorumverlies*, dat waren de meest in het oog lopende symptomen.

(*Bij decorumverlies past de zieke niet zich niet aan bij de sociale omgeving van dat moment.)

Soms kwam je er niet onder uit medicijnen voor te schrijven,

maar dit gebeurde dan zo weinig en spaarzaam mogelijk.

De stroming van de antipsychiatrie

De meningen onder het personeel waren hierover wat verdeeld: de conservatieven onder ons (waaronder ik), vonden dat spaarzaam gebruik van medicijnen noodzakelijk was, de zogenaamde progressieven, die de antipsychiatrie* aanhingen wilden helemaal geen medicijn gebruik.’

(*Antipsychiatrie is een stroming binnen de psychiatrie die zich afspeelde in jaren zeventig, waarbij men ervan uitging dat psychische afwijkingen een sociale oorsprong hadden en dat medicijnen dan niet hielpen en een goede begeleiding wel.)

Frank legt uit: ‘Doordat vaak de oorzaak van een psychische ziekte (nog) niet bekend is (dan blijft als enige therapie medicijnen vaak over) en deze hebben ook de nodige negatieve kanten, zoals verslaving en bijwerkingen.’

Over de uitgangspunten van de antipsychiatrie legt Frank het volgende uit: ‘Daarbij willen ze de mensen hun psychose zo veel mogelijk laten doorleven, zonder meteen met medicijnen de zaak te onderdrukken.’ Dit leefde dus sterk onder het personeel in deze tijd en werd zoveel mogelijk toegepast.

Hij gaat verder: ‘Uiteindelijk bleek het zelfs hier niet in de praktijk uitvoerbaar: want liet je een psychotische patiënt z’n gang gaan op de afdeling, dan werden medepatiënten én personeel ‘er gek van’ – en dit was toch niet de bedoeling!’

Frank geeft erbij aan: ‘Zelf vond ik het feit dat de antipsychiatrie in de praktijk niet uitvoerbaar bleek jammer. Iemand zijn psychose laten doorleven zou, net als bij de hypnotherapie, voor een grote schoonmaak kunnen zorgen in het onderbewustzijn van een patiënt en allerlei heropnames en ellende in de toekomst kunnen voorkomen.’

De hypnotherapie

Als therapeut hing hij de stroming van de hypnotherapie* aan.

(De *hypnotherapie is een vorm van (psycho)therapie die gebruik maakt van hypnose, om invloed uit te oefenen op het onderbewustzijn met suggestie. *hypnose is een toestand van vernauwd bewustzijn of trance, waarbij het onderbewustzijn toegankelijk wordt.)

Hij verklaart erover: ‘Zoals mij duidelijk werd, gaat de hypnotherapie er van uit dat veel klachten en problemen veroorzaakt worden door de invloed die het onderbewustzijn op ons heeft. Signalen uit het onderbewustzijn beperken of veraangenamen ons dagelijks leven. Met hypnose kun je op een positieve manier invloed op het onderbewustzijn uitoefenen met veelal verbluffende resultaten.’

In combinatie met de Rogeriaanse therapie

Frank laat ons verder weten: ‘Zelf vond ik een combinatie van Rogeriaanse therapie* en hypnotherapie geslaagd.´

(De *Rogeriaanse therapie is een therapeutische stroming die ervan uitgaat dat de cliënt en zijn belevingswereld centraal staan. Respect en geduld kenmerken de benadering van de cliënt.)

Hij geeft toe: ‘Ik moet hierbij de kanttekening plaatsen, dat de resultaten uiteindelijk beperkt bleken: In veel gevallen schoten er niets mee op en was deze therapie een weg die tot niets leidde. De gevallen waarbij je toch resultaat wist te bereiken, moesten het de moeite waard maken met de behandeling door te gaan.’

Grenzen stellen als hulpverlener

De psychiatrisch verpleegkundige geeft aan over het aanlopen tegen eigen grenzen: ‘Om psychisch zelf gezond te blijven heb ik grenzen moeten stellen, voor wat betreft de hulp, die ik in de privé sfeer aanbood.

Om psychisch gezond te blijven,

moet je voor jezelf grenzen stellen

Vaak bleek het ook zo, dat als je iemand ergens op wees of hulp aanbood, deze hulp niet serieus genomen werd en alle moeite voor niets was. Een voorbeeld hiervan was dat een broer van mij ernstig aan de drugs verslaafd was in deze tijd. Met veel moeite wist ik een opname te regelen in een afkickcentrum.

Hij wilde blijkbaar niet geholpen worden en liep weg, en nam mij kwalijk dat ik hem er ingeluisd had (zoals hij aangaf). Later is hij op eigen kracht van de drugs afgeraakt, zonder mijn hulp blijkbaar. Conclusie: sta niet te gauw klaar om als hulpverlener een ander te helpen. Vaak wordt de hulp niet aanvaard, maar heb jij dan toch de last op je schouders genomen.’

Een relatie met een patiënt

Frank heeft een tijdje een relatie met een vrouwelijke patiënt gehad. Hij vertelt erover: ‘Na ongeveer 5 jaar op de afdeling gewerkt te hebben, overkwam mij wat vaak bij mensen die in de hulpverlening werken gebeurt: er ontstond een relatie met een jonge vrouw die ‘Thea’ heette. Ze was opgenomen voor hysterische* klachten en fobieën (straatvrees).

(*Hysterie is een ziektebeeld dat gekenmerkt wordt door theatraal aandacht en vragend gedrag. Op deze manier geeft de patiënt aan psychische problemen te hebben. Het valt onder de neuroses.)

Hij verhaalt verder: ‘Tijdens de groepstherapie merkte ik een meer dan normale belangstelling jegens mij en Thea liet mij ook niet onverschillig. De laatste jaren had ik me alleen maar bezig gehouden met mijn werk en was er geen plaats geweest voor een relatie met een vrouw. Ik had dit wel als een tekortkoming ervaren, waardoor het moment rijp was voor mij: om een relatie met een vrouw aan te gaan.

Hij geeft aan dat hij dit deed ‘met veel bedenkingen’, en verklaart erbij: ‘omdat ik wist dat een relatie met een patiënt meestal tot problemen leidde, mede omdat de relatie bepaald blijft worden op de “patiënt-therapeut basis”, die ontstaan is tijdens de opname. Dit betekent dat zelfs na ontslag de patiënt geneigd is een afhankelijke positie ten opzichte van de (gewezen) hulpverlener in te nemen. De therapeut blijft in zijn reacties vaak hulpverlener. Meestal gaat dit proces onbewust, maar het effect blijft hetzelfde: een ongelijke basis. Dit bemoeilijkt het ontstaan van een gelijkwaardige relatie, dat immers de basis vormt van een goede relatie. Een afhankelijkheidsrelatie van één of beide partijen kan tot problemen leiden.’

Frank vertelt ons verder: ‘Ondanks waarschuwingen van collega’s, heb ik toch een afspraak met haar gemaakt om bij mij thuis te komen eten en van het een kwam het andere: een ontmoeting met haar ouders (na een paar weken) gaf onze relatie zelfs een officieel tintje.

Twee maanden duurde de relatie, waarbij het gevreesde bewaarheid werd: Thea begon zich steeds afhankelijker op te stellen ten opzichte van mij en ik ging hier voor een deel in mee, tot ik tot de conclusie kwam dat onze relatie geen kans op slagen had. Mijn gevoelens tegenover haar waren niet veranderd en dit bleek wederzijds te zijn, dus viel het ons moeilijk een eind aan de relatie te maken.

Een relatie met een patiënt/cliënt aangaan was na deze mislukking niet meer voorgevallen. Het zou bij deze enige en eerste keer blijven: “door schade en schande word je wijs”, dacht ik op dat moment.’

Hij kijkt terug: ‘Na de relatie met Thea had ik tijd nodig om het emotioneel te verwerken, want het was een behoorlijke tegenvaller voor ons beiden. Ik stortte me weer volledig op mijn werk.’

Geloofsproblemen bij psychiatrische patiënten

Frank laat ons weten over zijn ervaringen met christelijke patiënten: ‘Ook werd mij duidelijk dat veel leed veroorzaakt werd door een streng Calvinistische geloof van weleer, dat je als het ware verbood om prettig te leven, wat makkelijk kon leiden tot schuldgevoelens bij patiënten en in opname kon eindigen.’

Hij merkt erbij op: ‘Religie (geloof) vind ik belangrijk, alleen niet op de manier zoals veel mensen er mee omgaan. Je hoeft niet met een groep of kerkgenootschap op een dogmatische manier je geloof te belijden. Je kunt het ook zelfstandig, zonder in dogma’s te vervallen of een schuldgevoel te krijgen, omdat je je eigen leven in wilt delen zoals jij het prettig vindt.

De mensen met geloofsproblemen konden op deze afdeling ook niet echt tot hun recht komen, omdat de problemen voortkwamen uit geloofsovertuigingen, en wij niet de expertise bezaten om dit afdoende te begeleiden.’

Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven

Een uiterst belangrijke richtinggevende tekst in het leven van Frank is geworden Johannes 14:6, waar we lezen dat Jezus nadrukkelijk stelt:

‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.

Niemand komt tot de Vader dan door Mij.’

Wij kunnen de waarheid en het geluk bij God vinden door het geloof in Jezus Christus, waardoor wij in liefde worden geaccepteerd. We Efeze 1:6 zijn we dan begenadigd en aanvaard in de Geliefde (in de Engelse vertaling: ‘Accepted in the Beloved’). Herstel kan bij veel psychische problemen plaatsvinden als men zich geliefd weet. Weet je jezelf ook geliefd door God en mensen die je kent?

Velen worden misleid door leugens over zichzelf, die ze geloven en overnemen. Misleidende, negatieve en duistere gedachten moeten worden ontmaskerd door de waarheid en het licht van het Woord van God. Jezus is het levende Woord en het Licht om het denken van de mensen te verlichten. Je leest het in Johannes 1.

Jezus nodigt ons uit in Joh. 8:12:

‘Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt,

zal beslist niet in de duisternis wandelen,

maar zal het licht van het leven hebben.’

Hij is juist ook gekomen om geestelijk vermoeide, belaste en gebonden mensen te bevrijden. Als je misleidt bent in je denken over jezelf, anderen en God, zal de waarheid je kunnen bevrijden, doordat je gelooft in de Waarheid.

Jezus geeft aan in Joh. 8:32, als we in Hem geloven:

‘U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.’

In vers 36 stelt Hij verder:

‘Als dan de Zoon u vrijgemaakt zal hebben,

zult u echt vrij zijn.’