Evangelisatie en opwekking in Rusland

Copyright (C): Jan A. Baaijens, jongerenpastoraat

BOEK: RUSLAND evangelisatie en opwekking

Een rijke zegen voor Rusland

In het Rusland van de negentiende eeuw had de Russisch orthodoxe kerk geen duide­lijke evange­lische boodschap meer voor de burgers. Tradi­ties en cere­moniën konden de lege harten niet meer vul­len. Het Evangelie was in de opwekkingstijden in Rusland een blijde boodschap voor velen.

De velden waren wit om te oogsten

God gaf een rijke oogst 

Christus heeft Zijn volge­lingen een blijvende opdracht meege­geven in Markus 16:15, toen Hij zei tot Zijn discipelen: “Ga heen in heel de  we­reld, predik het Evangelie aan alle schepselen.” Als we deze opdracht mogen uitvoeren, zullen wij zien dat God de beloften vervult die Hij aan deze opdracht heeft verbonden. De Heere Jezus geeft stromen van zegen, zoals Hij ons leert in Johannes 7:38: “Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.”

Er zijn verbanden te zien tussen evange­lisatie en opwekking. Waar men het leven­wekkende Woord van God bracht en doorgaf, volgden vaak stromen van zegen, met name in de droge ge­bieden.

We willen nu boeiende verhalen laten volgen van evangelisa­tie en opwekking in Rusland

Deze voor­beelden dienen ter navolging. Door Gods genade hebben Russi­sche gelovigen kloven mogen overbruggen… zij hebben dit mogen doen door daden van liefde en langdurige opoffering.

Stundisten

In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam een oudste uit de Oekraïne eens bij een spoorwegstationnetje met de naam “Stunde”. Dit was een vreemde benaming voor een station in de Sovjet-Unie. De oudste vermoedde daarom ook dat er een geschiedenis aan was verbonden. Hij vroeg aan plaatselijke bewoners waarom deze vreemde naam aan dit station was gegeven. Enkele oudere inwo­ners herinnerden zich dat er vroeger in deze plaats mensen hadden gewoond die stundisten werden genoemd.
Het enige wat ze verder van deze mensen wisten was
‘dat zij elkaar liefhadden’
Wat is dat een heerlijk getuigenis, dat na zoveel jaren nog bewaard was gebleven? Wat kunnen wij daar veel van leren!

Hoe ziet de wereld ons? Zal dit getuigenis na een eeuw ook nog van onze gemeenten door de plaatselijke bevolking worden gegeven? Wat moet er dan veranderen?

Wat waren dat voor mensen, die stundisten? De Russische stun­disten zijn in de tweede helft van de negen­tiende eeuw open­lijk naar buiten getreden. Aanvankelijk was het een bijbelge­trouwe opwekkingsbeweging binnen de Russisch orthodoxe kerk, maar al spoedig werden deze stundisten vanwege vervolgingen genoodzaakt om als sekte buiten deze kerk te gaan staan.

De meeste aanhangers waren boeren uit Zuid-Rusland. Ze hebben hun bestaan hoofdzakelijk aan buitenlandse invloeden te danken. We moeten hierbij vooral denken aan het werk van de bijbelver­spreiders en evangelisten John Melville en Kascha-Ja­gub en de protestantse Duitse kolonisten die zich in Zuid-Rus­land hadden gevestigd.

Deze Duitse kolonisten waren mennonie­ten en voor een belangrijk deel reformatorisch (evangelisch-luthers). Het ontstaan van de Russische stundisten is vooral aan de Württem­berger en Paltser piëtisten te danken, die hun “stun­den” hielden.

De hervormde Duitsers hadden in Zuid-Rusland gerefor­meerde gemeenten gevormd

Ze hadden hun geregelde gezelschap­pen,

waarin ze “Bibelstunden” (bijbellezingen) hielden

In deze piëtistisch gestempelde bijeenkomsten werd gezongen, gebeden en in de Bijbel gelezen. Daarbij deed men ook aan bijbelstu­die. De Bijbel werd uitgelegd.

Bij de Duitse kolonis­ten viel de nadruk op persoonlijke wedergeboorte, een innig geloofsle­ven en heiligmaking. Men wilde geestelijk in Gods nabijheid leven, afgezonderd van de boze wereld.

Binnen deze geïsoleerde gemeenten

zijn herhaaldelijk opwekkin­gen geweest

Er waren invloedrijke opwekkingspredikers, die opriepen tot beke­ring en heiliging.

Peter Lysenko

Het begin van de stundistengeschiedenis in het gebied van de Dnjepr rivier wordt ons als volgt verhaald: Peter I. Lysenko woonde in de plaats Sofievka, drie kilometer verwij­derd van de mennonietenplaats Friedensfeld. Lysenko had opge­merkt dat de mennonieten vaak in de Bijbel lazen en baden, en was onder de indruk geraakt van hun leven en geloof. Zonder enige directe hulp van de mennonieten begon hij zelf het Evangelie te lezen, hoewel hij slechts halfgeletterd was.

Spoedig kwam hij tot bekering

Vele malen had hij de mennonieten gevraagd om hem te dopen, maar zij weigerden, omdat dit door de wet verboden was. Uiteindelijk werd er ongeveer vijf jaar later, in 1875, een welbekend mennonietisch prediker, die op bezoek was, bereid gevonden om de doop te verrichten. De vader van Lysenko zette daarop Peter en zijn vrouw uit de ouderlijke woning. Maar de mennonieten van Friedensfeld hielpen Lysenko om zijn eigen klei­ne huis te bouwen.

Regelmatig liep Lysenko daarna door de straat van zijn woon­plaats, al schreeuwende: “Bekeert u en wendt u tot het Evange­lie!”

Aanvankelijk volgden enkele nieuw­sgierige mensen hem naar zijn huis, waar hij tot hen preek­te. Langzamerhand werden er steeds meer bekeerd. Daarna kwam er een georganiseerde kerk, en een beter ontwikkelde nieuwe bekeerling werd tot leider gekozen. Zeven­tig jaar later waren er zestig gemeenten in de provincie.

Het Evangelie had een goede uitwerking op de levenswandel van de Russen die de stunden bezochten

De bij de boeren zo ge­lief­de brandewijnfles verdween; het gebruik van alcohol was niet toegestaan bij de gelovigen. Het roken en het drinken van alcohol zijn bij de bijbelgetrouwe evangelische Russische gelovigen steeds wereldse en onmatige zaken geweest, waaraan ware christenen zich niet mochten overgeven. Wanneer men dit toch niet kon nalaten, was dit het bewijs dat men geen oprech­te gelovige was.

Gods leiding

In de opkomst van het protestantisme in Rusland kunnen we duidelijk de leiding van de Heere zien. Het Koninkrijk van God kreeg steeds meer gestalte in het droge, Russische gebied. Het zaad van het Evangelie werd op vele plaatsten gestrooid en het droeg rijke vrucht. Onder de lagere standen van de bevolking was het stundisme uitgegroeid en er kwamen ook steeds meer molokanen.

Molokanen

De molokanen zijn in het midden van de achttiende eeuw als nieuwe protestantse groepering in Rusland ontstaan.

Zij worden wel gezien als de voorlopers van de baptistenbeweging

Vele leiders van de evangelie-christe­nen en baptisten kwamen uit molokaanse gezinnen.

In het boek van dr. J.A. Hebly, “Protestanten in Rusland”, worden de  molokanen behandeld op blz.69-71. Dr. Hebly schrijft over hen: “Hun gemeenten zijn presbyteriaal opgebouwd en ieder gemeentelid is bevoegd te preken. De molokanen zijn zeer conservatief en puriteins ingesteld (…). Maar de groep waarvan de aanhang in het begin van deze eeuw geschat werd op 1,2 miljoen gelovigen, loopt deze eeuw sterk in aantal terug. Zij zijn voor een groot deel opgegaan in de gemeenten van de baptisten en de evangelie-christenen”

Voor een groot deel vloeide het samen en ontston­den er twee belangrijke groeperin­gen: de baptisten en de evange­lie-chris­tenen.

De vervolgingen werden door God gebruikt om de eenheid te bevorderen.

Er ont­stond bloei­end christendom,

vergelijkbaar met de eerste christen­gemeen­ten

Op den duur versmolten de verschil­lende bijbelge­trouwe stromingen in 1944 tot de “Unie van evangelie-christe­nen en Baptisten”.

Evangeliserend zingen

Nog vóór 1905 gaf ingenieur I.S Prochanov (1869-1935) een liederenbundel uit. Hij stamde uit een molokanenfami­lie.

Hij heeft in West-Europa theologie gestudeerd.  Prochanov richtte in 1909 de Al-Russische Bond van Evangelie-christenen op. Hij werd gekozen als eerste president van deze bond en is dat twintig jaar lang gebleven.

De liederenbundel die hij uitgaf werd de grondslag voor een eigen liederenschat van de evangelie-christenen. In de gemeen­ten van evangelie-christenen en bap­tisten heeft het zingen steeds een belangrij­ke plaats ingeno­men. Men zong (en zingt nog) veel en ook wel meeslepend lang­zaam. Het is steeds ge­bruikelijk ge­weest dat een gemeente een koor heeft dat in de dienst zingt.

Volgens Prochanov moeten de liederen een harmo­nische versmel­ting zijn van evan­gelische vreugde en volkswee­moed

In hun liederenbun­dels zijn veel kerkliederen die uit de protestantse geloofswe­reld zijn ver­taald, dit zijn vooral de opwekkingslie­deren uit de tweede helft van de negentiende eeuw en daarna. Dit waren onder meer uit het Engels en Duits vertaalde opwekkings­liede­ren.

De invloeden van westerse opwek­kingen

werden ook merkbaar in Rus­land

We denken hierbij aan de Amerikaanse opwekkings­predi­ker Dwight L. Moody (1837-1899) en zijn muzika­le medewer­ker Ira D. Sankey, die vele liederen componeerde. Hij zette liede­ren die door Moody en anderen waren gedicht, op muziek. Zijn liede­ren zijn in vele talen vertaald.

De Rusland-Duitser Jacob Esau kwam in 1944 tot geloof. Deze in de Sovjet-Unie vervolgde pre­diker geeft te kennen in het boek ‘In de schuil­plaats van de Aller­hoog­ste'(blz.36): “Het kostbaarste wat ik uit Duits­land meege­bracht had, was de Bijbel en enige christe­lijke boeken, waar­onder de levensbeschrijving van de Ameri­kaanse opwekkings­prediker Moody.”

In de bundels zijn echter ook liederen opge­no­men die door Prochanov en andere Russische christenen zijn ge­maakt.

Het publiekelijk zingen, zodat buitenstaanders het konden horen, bleek ook een goed evangelisatiemiddel te zijn

Bij het ont­staan van een gemeente werd er zo spoedig mogelijk een koor opgericht. Geestelijke liederen werden ingestudeerd, zodat er ook meerstemmig kon worden gezongen. Men zong met openstaande ramen, in tuinen, op geschikte plaatsen in de steden en dorpen en in de vrije natuur. Ook bij hun doopdien­sten, bruiloften en begrafenissen werden orthodoxen en anders­denkenden door hun gezang aangetrokken. Hierdoor werd de belangstelling opgewekt.

Door het gezang trachtte men doelbewust de niet-protestanten te bereiken. Veel liederen bevatten evangeliserende teksten en de nieuwsgierige en belangstellende toehoorders werden zodoen­de op een uitnodigende wijze met het Evangelie bereikt. Tus­sendoor en na het zingen werden vaak voor de toehoorders korte, pakkende toespraken gehouden. God heeft deze metho­de van evangeliseren rijk willen zegenen. Het moet ons duide­lijk zijn dat wij hen hierin dienen na te volgen.

Iedere baptist een zendeling

De Russische gelovigen verstonden hun opgelegde taak en roe­ping. Zij namen hun motto serieus: “Iedere baptist een zende­ling!”

Iedere gelovige dient een evangelist of zendeling te zijn!

We zien dat de Heilige Geest Zich vaak heeft gepaard aan het verkondigde Woord van God.  We behoren hierbij de Heilige Geest biddend te verwachten. Het Woord van God zal niet vruchteloos tot Hem terugkeren! (zie Jes. 55:10-11).

Van de Russische gelovigen waren er wellicht die nog niet zo goed op de hoogte waren van vele belangrijke dogmatische waarheden, maar ze werkten in ieder geval met hetgeen zij wisten.

Hoeveel seizoenen hebben zogenaamde rechtzinnige christenen en ook wij niet met praten voorbij laten gaan, zonder wezenlijk vrucht te dragen? De zaaitijden werden vaak verzaakt, zodat de oogsttij­den ontbra­ken.

Een enorme groei

In 1905 waren er 86.538 baptisten en 20.804 evangelie-christe­nen. Aan het einde van de burgeroorlog van 1917/1918 waren er al zo’n 100.000 baptisten en ca. 250.000 evangelie-christenen.

Op een hoogtepunt van deze protestantse bewegingen, in 1929, hadden ze bij elkaar ca. 500.000 gedoopte leden, die samen met familieleden meer dan vier miljoen mensen vertegenwoordigden.

Vervolgingen konden deze enorme groei niet tegenhouden

Als God werkt, kan niemand dat keren.

In de periode 1944-1957 waren er weer opwekkingen en beleefden de kerken van de evangelie-christenen en baptisten een forse groei. Als gevolg van de stalinistische vervolgingen na 1929 waren er van hen in 1935 waarschijnlijk minder dan 300.000 gedoopte leden overgebleven. Verder laten afgeronde tellingen ons weten dat er in 1947 ca. 350.000 waren, terwijl ze in 1954 al kwamen op een aantal van ca. 512.000. In 1959 werd het aantal evange­lie-christenen en baptisten geschat op 540.000 gedoopten en ca. drie miljoen mensen die meeleefden en de dien­sten bezochten.

Als de opgegeven tellingen kloppen, zijn er in de vijftien jaar (1944-1959) na de oorlog dus zo’n 240.000 mensen in Rusland gedoopt en lid geworden van de Unie van Evangelie-Christenen en Baptisten! Het is duidelijk dat we daarom zeker wel mogen spreken van een enorme opwekking in die jaren.

In 15 jaar:

240.000 gedoopte christenen in Rusland

Na de oorlog stond de overheid tolerant tegenover religie, zodat de gelovigen mochten profiteren van de vrij ruime mate van vrij­heid die er was tot 1960.

In de meeste gebieden waren de kerken de laatste twaalf jaar gesloten geweest.

De plaatse­lijke ouder­lingen waren voor een groot deel verdwenen – velen van hen waren gestorven. Maar de gewonde kerk mocht zich door Gods genade weer oprichten.

Het bloed van de martelaren

bleek ook toen weer het zaad der kerk te zijn

Veel nieuwe bekeerlingen werden gedoopt. Er werd melding gemaakt van grote doopdien­sten. In die tijd werden in verschillende grote steden meer dan honderd personen in één jaar gedoopt. President Zhidkov van de AUCECB (de Russische afkorting van de nieuwe unie) meldde aan het einde van het eerste jaar dat hun cen­traal kantoor was geopend, dat er ca. 5000 brieven met ver­zoeken om hulp waren ontvangen. Het meeste vroeg men om Bij­bels. Er bleek een grote honger naar Gods Woord te zijn.

Een tweede belangrijke nood was het gebrek aan aangestelde ouder­lingen. In veel geopende gemeenten waren geen ouderlingen be­schikbaar. In een aantal plaatsen waren er zelfs vrouwen die de diensten leidden (zon­der recht van bevestiging). In 1953 had eenvijfde van de gemeenten in de Oekraïne geen veror­di­neerde ouderling. Presi­dent Zhidkov gaf te kennen dat hij veel brieven in Moskou had ontvangen met het verzoek:

“Geef ons werkers, ook al zijn ze oud of invalide,

we zullen verblijd zijn met allen”

 

Een liefdevolle evangelisatiedrang

Laten we de na-oorlogse opwekking in Rusland wat nader bezien. De communistische terreur had de kerk grote schade toege­bracht. De evangelischen zijn toen in hun evangelisatie­drang weer begonnen met ‘een oorlog van liefde’. Zij werden daartoe gedrongen door de liefde van Christus, terwijl ze zo effectief mogelijk werkten.

Zij waren vindingrijk in het zoeken van wegen en middelen

De Heere heeft deze arbeid rijk willen zegenen in het geven van opwek­king. Hij heeft op won­derlijke wijze kloven overbrugd. Let er op hoe het gebeur­de.

Hoewel getuigen toch nog moeilijk was en reli­gieuze propa­ganda verbo­den was, verspreidde de opwek­king zich snel. Iemand vertelde hoe het nieuws zijn plaats bereikte dat er in de naburige plaats een Bijbel was en dat er iemand was die er in het openbaar uit durfde lezen.

Laat in de nacht was het huis van de eigenaar van deze Bijbel gevuld met ver­wach­tings­volle mensen

Er brand­de alleen maar één kaars, zodat het mogelijk was om in de Bijbel te lezen. Om niet de aandacht van de buren te trekken, sprak een ieder op gedempte toon. Door een aantal aanwezigen, die nog verschillende gees­telijke liederen kenden, werd er gezongen. Alles moest natuur­lijk zachtjes gebeuren. Sommigen stonden daarna op om uit de kost­bare Bijbel te lezen. In het gebed dat volgde, smeekte de geknielde vergadering God om vergeving van hun zonden.

Verharde personen huilden berouwvol als kleine kinderen

Deze gebeurtenis en ook het verhaal over de opwek­king in Waldheim (dat nog volgt) zijn gebaseerd op syste­mati­sche interviews die Walter Sawatsky vanaf 1974 hield met naar West-Duitsland geëmi­greerde Rusland-Duitsers. De aange­haalde gebeurte­nis laat ons goed het karak­ter van de geeste­lijke opwekking zien.

In veel gebieden hadden de nieuwe bekeerlingen regelmatig hun godsdienstbijeenkomsten, maar moesten ze jaren wachten op het bezoek van een prediker voor de bediening van doop en avond­maal. Walter Sawatsky geeft verder in z’n boek te kennen op blz.58: “Avondmaal en doop werden gezien als belangrijk, maar een eerste zorg was om de mensen te vertellen dat er een genadig God is, Iemand Die hun zonden vergeeft, Iemand Die hun vrede in hun hart kan geven en een levensdoel.”

Op de meeste lokaties was het een beweging zonder zichtbaar leiderschap. Niettemin waren rondreizende evangelisten en AUCECB-leiders vaak het middel van het ontstaan van een plaat­selijke opwekking, hoewel de Heere daartoe ook “gewone” gelo­vigen gebruikte. In sommige gebieden kwamen pas jaren later evange­listen of predikanten. Hieruit zien we het krachtige werk van de Heilige Geest, Die ook van minder bekwame middelen gebruik wil en kan maken voor een opwekking.

We moeten het ambt van alle gelovigen niet onder­schatten!

De Heere wil ook werken door middel van de gewone gelovige mannen en vrouwen. Als Hij dit nodig vindt, zal Hij ook jongeren en kinderen gebruiken om anderen tot geloof en bekering te bren­gen.

De opwekking in Waldheim

Een ander verhaal dat Sawatsky vernam van een geëmigreerde Rusland-Duitser, gaat over een opwekking in het dorp Waldheim in West-Siberië. Een jongeman uit deze plaats had de winter doorgebracht met het werken in Vorkuta (Workoeta), boven de Noordpoolcirkel. Deze plaats ligt op het vasteland onder het eiland Nova Zembla. Dit deed hij om extra salaris te ontvangen wegens het werken onder moeilijke klimatologische omstandighe­den. In Workoeta ontmoette hij gelovigen die juist een aan­grijpende opwekking hadden ervaren.

De jongeman hoorde de prediking en kwam tot bekering

Voordat hij in de lente huis­waarts keerde, zag hij kans om een Bijbel te bemachtigen. Hoewel er op de dag van zijn terugkeer naar Waldheim niets was aangekondigd, hadden zich die avond zoveel nieuwsgierige buren in zijn huis verza­meld, dat de drie kamers overvol waren.

De jonge Jakob stond toen op, opende zijn Bijbel en las moei­zaam enkele ver­zen. (Hij kon waarschijnlijk niet zo goed lezen.) Nadat hij het boek had gesloten, kreeg hij het voor elkaar om op een gebrekkige wijze nog twee of drie zinnen te spreken die nauwe­lijks leken op een preek. Daarna, terwijl hij niets meer wist te bedenken, viel hij plotseling op zijn knieën en uitte hij een eenvoudig maar schokkend gebed:

“Heere, ik bid U dat U ieder hier vergaderd persoon

deze nacht wil beke­ren! Amen.”

Tijdens de stilte die volgde, baande een vrouw uit een aan­grenzende kamer zich een weg naar de jonge Jakob en vroeg hem vol tranen:

“Help me om te bidden!”

Jakob viel weer op zijn knieën en de vrouw riep tot God om haar, een verschrikkelijke zondares, genadig te zijn.

Binnen enkele secon­den waren allen die in het huis waren op hun knieën en schree­uwden ze tot God om genade

Jakob trachtte het volk te kalme­ren en vertelde hun dat God hen ook kon horen zonder dat schreeuwen. Jakobs gebed werd letterlijk verhoord. Veehouders, die buiten in de wei waren, hoorden het ge­schreeuw, kwamen kijken, bleven en er­voeren ook zelf een persoonlijke beke­ring. Anderen renden naar huis, terwijl ze daar hun familiele­den wakker maakten met de woor­den:

“Kom snel, het gehele dorp wordt deze nacht be­keerd!”

Rondreizende evangelisten

Op andere plaatsen lieten sommige moedige reizende evangelis­ten een spoor van opwekkingen na. Enkele namen van deze door God gebruikte mannen zijn bekend. De evangelisten konden op een verraderlijke wijze aangegeven worden bij de autoriteiten. Om zichzelf daartegen te beschermen hadden ze schuilnamen en verdwenen ze zo spoedig mogelijk na een gezegende arbeid. Het kon zijn dat een evangelist zich bijvoorbeeld voorstelde als “broeder Alexei”. Daarna preekte hij, vervolgens doopte hij de bekeerlingen, en voordat de autoriteiten genoeg informatie had­den om hem op het spoor te komen, was hij dan al weer onder­weg naar een onbekende bestemming.

Zo visten de politiebeamb­ten vaak achter het net. De evangelist mocht na het uitwer­pen van het evangelienet door Gods genade een rijke vangst binnenhalen en de KGB-ers vingen vervolgens bot. Gods dienaar was dan “met de noorderzon vertrokken”.

Sommige van deze rei­zende evange­listen waren mensen die slechts enkele weken of maanden daar­voor tot beke­ring waren gekomen. Vervuld met de blijdschap van hun nieuwe geestelijke ervaringen, gebruikten ze hun weekein­den, zondagen en andere vrije tijd om te preken in de naburige dorpen.

In het midden van de vijftiger jaren

kwam er een tweede grote na-oorlogse opwekking

Deze opwekking ontstond meer in het centrale en oostelijk deel van de Sovjet-Unie dan in het westelijk deel, waar de eerste opwekking na de oorlog voor het grootste deel plaatsvond. Deze tweede opwekking was van een soortgelijk karakter als de eerste:

Op vele plaatsten ontston­den plotseling en snel opwekkingshaarden

De opwekking ver­spreidde zich nogal eens op een onverwachtse of niet te voor­ziene wijze, zoals het gras zich door een ondergronds wortel­stelsel uitbreid. Na een overvloedige regenbui zie je ineens hier en daar grassprietjes uit de aarde te voorschijn komen. Bij een aanhoudende regen worden deze sprietjes al gauw gras­polletjes die zich nog sneller uitbreiden en vergroten. Walter Sa­watsky geeft ons te kennen dat deze beweging het karakter van “grass roots” had. De kort daarvoor uit de gevan­genissen vrij­gelaten predikers zullen hierbij betrokken zijn geweest, en dan vooral de Rus­land-Duit­sers.

Groeien in de verdrukking

De anti-religieuze campagne van Chroesjtsjov van 1959-1964 was in hevigheid weinig minder dan de stalinistische vervolgingen in de dertiger jaren. Men was nu beter voorbereid op de ver­vol­gingen. Er werden wel verliezen geleden, maar ondanks dat bleef de beweging zelfs in de verdrukking groeien.

Het was zoals bij de palmboom, die ook tegen de verdrukking ingroeit. Men legt wel een steen in de kruin van de jonge palmboom om de groeikracht te vermeerderen.

Ondergrondse ging men door met het evangeliseren en het geven van geestelijk onder­wijs. De huisgodsdiensten bloeiden in die tijd.

Men leerde de kinde­ren de bijbelse ge­schiedenissen en bijbelteksten; verder zongen ze ook thuis de geestelijke liederen. Een gevolg hier­van was dat de meeste nieuwe leden kwamen uit de gelovige families.

De gelovigen deden ook hun best om een goed voor­beeld te zijn op hun werk. Waar ze konden, getuigden ze veelal in het geheim tot hun col­lega’s. Daaruit ontstonden ook nieuwe bekeerlingen. Het open­baar getuigen was wel verboden door de autoriteiten, maar als men vragen stelde over de leefstijl van een gelovige, kon hij op een eerlijke wijze daarop ant­woorden. Daar ging daar ook een geloofsgetuigenis vanuit.

Nieuwjaarsbekeringen

Veel bekeringen vonden plaats gedurende de week die volgde na het begin van een nieuw jaar. De meeste evangelische kerken in de USSR hadden dan een gebedsweek, daarin was een nachtdienst, waarin werd gepreekt en gezamenlijk werd gebeden. In een gebedsweek was er een speciaal thema, waaraan men zich in iedere preek hield, in tegenstelling tot de diensten in de rest van het jaar. Tijdens de opwekkingen in de vijtiger jaren waren dit de speciale gelegenheden waarbij mensen opstonden in de dienst om openlijk hun zonden te belijden, terwijl ze daarbij onder tra­nen God om vergeving baden.

Zo kwam er bij­voorbeeld eens een man tot het besef dat hij een gevangene van het roken was ge­weest; hij wilde daarom een eind aan deze zonde maken. Hij was de vorige nacht tot bekering geko­men en gaf zijn mooie lederen tabakszak aan een goede vriend.

Deze vriend werd die nacht bekeerd

en gaf de tabaks­zak aan een derde vriend.

De derde vriend kwam tot bekering op de daarop volgen­de avond. Toen deze probeerde om de tabakszak aan een vierde vriend te geven, protesteerde laatstgenoemde, omdat hij be­vreesd was dat, als hij deze zou accepteren, hij ook tot bekering zou komen.

Het werd een diep geworteld besef van Russi­sche chris­tenen om tijdens de eerste week van het nieuwe jaar in orde met God te komen. De gecon­cen­treerde prediking en het geconcen­treerde gebed maakte de nieuw­jaarsweek tot een groot evangeli­satiemiddel.

Vindingrijke evangelisten

De autoriteiten hadden bepaald dat zowel de kerken als de geestelijke leiders geregistreerd dienden te zijn. Het was een prediker of evangelist niet toegestaan om buiten de eigen gemeen­te te preken. De overheid wilde hiermee de activiteiten van reizende en evangeliserende gelovigen, die door Gods genade veel bekeerlingen maakten, tegengaan. Velen van hen zijn gedu­rende de vijtiger jaren vanwege dit werk gearres­teerd. Niette­min zagen de gelovigen toch kans om op allerlei manieren het Evan­gelie uit te dragen. Ze waren hierin soms erg vinding­rijk.

De ‘groetenpreek’

Zo werden aan het eind van een kerkdienst ook wel de groeten over­gebracht door een aanwezige prediker van een andere ge­meente. Deze mocht van de autoriteiten niet buiten zijn eigen gemeente preken, maar hij breidde de groeten uit tot groeten van Paulus, Petrus en andere personen uit de Bijbel. Daarbij las hij hun opgeschreven woorden en gaf hij hierbij een verkla­ring. Zo deed hij dit ook met de woorden van de Heere Jezus.

Voor deze “groetenpreek” had hij zelfs wel twintig minuten nodig. Zo had men eigenlijk toch een gastpre­di­ker tijdens de dienst.

Verjaardagszondagschool

Zondagsschool houden was ook verboden. In Rusland vindt men verjaardagsfeestjes van kinderen erg belangrijk. De gelovigen maakten van deze feestjes een soort zondagsschoolbijeenkomst. Als er bijvoorbeeld in een kleine gemeente twaalf kinderen waren in de leeftijd van zes tot negen jaar, dan hadden ze twaalf keer in een jaar een “zondagsschoolfeestje”. Daarbij konden ook (nog) niet gelovige kinderen en vriendjes worden uitgenodigd. Tijdens zo’n feest deed men bijbelse raadsels en leerzame godsdiensti­ge spelletjes en maakten de kinderen mooi versierde bijbeltek­sten van of op papier. Door ouders of kinderen werd dan ook uit de Bijbel voorgele­zen.

Koordiensten

Speciale jeugdbijeenkomsten waren ook door de overheid verbo­den. Iedere evangelische gemeente had echter wel een koor, dat uit vrijwilligers bestond. Deze vaak ook jongere mensen moes­ten natuurlijk in de week ook oefenen. Deze kooroefeningen be­gonnen met gebed, schriftlezing en een korte meditatie, zodat ze ook door de week nog konden worden onderwezen uit Gods Woord.

Getuigenisbruiloften

Verder waren bruiloften ook evangelische “getuigenis­diensten”, in tegenstelling tot de wereldse bruiloftsfeesten waarin (te) veel alcoholische dranken werden gebruikt. Zoals wellicht bekend dronken en rookten gelovigen niet. Deze zaken waren voor hen onverenigbaar met het geloof. Ook hiervan kunnen wij als westerse christenen veel leren!

Evangelisatiebegrafenissen

Ook de begrafenissen die door gelovigen werden georganiseerd en geleid, waren “evangelisatiegelegenheden”. Begrafenisdien­sten waren toegestaan. Bij deze diensten werd ook gezongen.

Ongelovige familieleden, bekenden en belangstellenden werden zodoende geconfronteerd met het reddende Evangelie

Een voorbeeld om na te volgen…

Zo waren de Russische gelovigen evangeliserende mensen, die steeds maar weer naar middelen en wegen zochten om het Evange­lie te kunnen uitdragen. Ondanks veel tegenstand gingen ze toch door. En wij?! Zij hebben ons een voorbeeld nage­laten om na te volgen!… We hebben nu gezien dat het door Gods genade dus wèl mogelijk is om grote kloven te overbrug­gen. Zoals we hebben aange­toond, moet dit gebeuren door opofferende volhar­ding in een oorlog van liefde. Onder zeer zware omstan­digheden mocht men een brug slaan naar zware orthodoxen, vijandige communis­ten en spottende atheïsten.

Wat doen wij onder minder zware omstan­digheden? Heeft de liefde tot de wereld ons zó in de greep dat we door het geloof de wereld niet kunnen overwin­nen? Hoe kunnen we invloed op de wereld uitoefenen als we ons te veel door de wereld laten beïnvloeden? Zijn we eigenlijk wel bereid om de uitdaging met de wereld aan te gaan? Worden wij niet te veel door de tijd­geest en het individualisme beheerst? Sluit uw hart voor de zonde en kom tot een nieuwe toewijding aan God!

Zie op de opofferende liefde van Christus en volg Hem na…

om in een oorlog van liefde te kunnen overwinnen!

De Russische gelovigen mochten door Gods genade staande blij­ven en zelfs groeien in de verdruk­king. Ze hadden vaak nog genoeg vrijheid om te kunnen blijven be­staan, maar ook genoeg moeilijkheden om een gemeente te kunnen zijn van de meest toegewijde mensen.

Het bloeiend christendom van de twintigste eeuw

is veelal de kerk in de verdrukking geweest

De Hee­re ­gaf een niet te stui­ten evange­li­satiedrang onder de Russische gelovi­gen. Het ambt van alle gelovigen werd volop uitgeoefend. Er zijn in Rusland ware bloeitijden geweest, die we kunnen vergelijken met de tijd van de eerste christenge­meen­ten. Hieraan dienen we ons te spiege­len; hiervoor moeten we bidden, en hiernaar beho­ren we te streven. We moeten niet tevreden zijn met minder.

Opwekkingspredikers en veel getuigende gelovigen zijn zegenen­de zielen geweest; zij mochten de droge aarde bevochtigen met de regen van het Evangelie. Zij werden zodoende tot een vroege regen. In Spreuken 1­1:25 lezen we “De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.”

Uit de vruchten van het geloof ontvangen we meer zekerheid, blijdschap en vrede. Gebruik dan je talen­ten, geef jezelf geheel… Die veel geeft, mag veel ontvangen, om meer te kunnen geven.

Bij opwekkingen zendt de Heere een milde regen neer, en Hij gebruikt daarvoor Zijn dienaren. Hun harten staan dan door Gods genade open voor het heil, en vloeien ervan over, zodat ook anderen worden besproeid.

In een tijd van geestelijke opwekking is er meestal geen gebrek aan predikers, evangelisten en zendingswerkers. Het is een teken aan de wand als er te weinig arbeiders zijn in de wijngaard. Er zijn ook nu genoeg velden om te bearbeiden; maar waar zijn de arbeiders?

Voelt je de aandrang van de liefde van Christus in je hart?

Is de nood je al opgelegd?

Paulus ver­klaart in 1 Korinthe 9:16: ‘Als ik het Evangelie verkondi­g, is er voor mij namelijk geen reden tot roem.  De noodzaak daarvan is mij immers opge­legd. Maar wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!’ Klinkt dit “wee mij” ook al door in ons hart? Zoiets kun je niet tegenhouden; zoiets doordringt je helemaal – het is de aandrang van de Heilige Geest; het is de innerlijke roeping tot het werk in de wijngaard van de Heere.

De christelijke loopbaan

In Gods Woord worden we in 1 Korinthe 9:24 opgeroepen om te lopen voor de eerste prijs. Paulus schrijft daar: “Weet u niet dat zij die in de renbaan lopen, allen wel lopen, maar dat slechts één de prijs ontvangt? Loop dan zo dat u die verkrij­gt.” Wees niet met een mindere prestatie tevreden als je loopt in de christelijke loopbaan.

Al kunt je het niet in eigen kracht be­reiken, toch moet het je doel zijn om naar de volmaakt­heid te jagen. Hierin zullen we altijd tekortschie­ten en schulde­na­ren blijven. Dat is een goede zaak. Zodoende worden we geen grote bekeerde christenen in onszelf. We blij­ven schul­denaren in het stuk der dankbaarheid.

Dit heeft te maken met de chris­telijke loop­baan die we dienen te gaan. We worden daarin niet opgeroe­pen om wat achteraan te sukkelen of het wat rustig aan te doen, omdat we toch wel in de hemel zullen komen. Dit is juist een teken van grote ondankbaarheid! Zijn we dan wel op de goede loopbaan?

We worden aange­spoord in Romeinen 12:11: ‘Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere.’

We lezen in 1 Korinthe 15:58: ‘Daarom, mijn ­gelief­de broeders, wees standvastig, onwankelbaar, al­tijd ­over­vloedig in het werk van de Heere, in de wetenschap dat uw inspanning niet tevergeefs is in de Heere.’ Hierin zien we het leven van de evangeliserende Russische christenen getekend.

Wellicht ontzinkt ons de moed, als we beseffen wat we behoren te zijn en hoe we zijn.

We hoeven het niet in eigen kracht te doen!

Er is kracht buiten onszelf in de Heere Jezus Chris­tus

Er is kracht in Zijn bloed!

We dienen echter wèl te zien op de wolk der ge­tuigen, ook de Russische getuigen, om hen na te volgen. Hierbij moeten we niet zien op ons­zelf, want dan kan het niet, maar op onze machtige Heiland. Hij kan het ons boven bidden en denken schenken.

Laat je dan maar aanmoedigen door de woorden van Hebreën 1­2:1-2: ‘Welnu dan, laten ook wij nu wij door zo’n menigte van getuigen omringt worden, afleggen alle last en de zonde, die ons zo gemakkelijk verstrikt. En laten wij met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt, terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God.’

Comments are closed.